METHODEN RAADPLEGEN

Aantal methoden in de database : 56


ID: 34
Status: actief
Naam: Affectieve Educatie
Omschrijving: In deze ‘leermethode’ gaat het om het zo concreet mogelijk leren herkennen van eigen emoties, emoties bij anderen en het verbeteren van het zelf om kunnen gaan met emoties, dan wel leren rekening te houden met emoties van zichzelf en anderen. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit leerproces te versterken. Soms gebeurd dit in combinatie met Assertiviteitstraining *, Sociale vaardigheidstraining (SOVA) *, of Cognitieve Herstructurering *. Soms ook gebeurd dit in de alledaagse praktijk op concreet communicatie-niveau in nauwe samenwerking met de logopedist om met behulp van een picto-systeem de emoties te herkennen en deze eerst voor zichzelf te leren hanteren (vgl PAD *). Attwood (2004) heeft deze methode uitgewerkt t.b.v, kinderen met het Asperger syndroom en de stemmingsproblemen die zij ervaren en de beperkingen op het gebied van de Theory of Mind (TOM – vgl. TOM-training). Enerzijds omdat mensen met Asperger een eigen specifieke manier van denken hebben, anderzijds omdat zij prettige of positieve emoties juist halen uit dingen die ze ‘weten’. Bij Attwood worden Affectieve educatie en Cognitieve herstructuring gecombineerd. De affectieve educatie richt zich op de redenen van het hebben van emoties, de verschillende uitingsvormen ervan en het omgaan er mee. Cliënten zullen daarom vooral de emotie-signalen moeten leren onderkennen: mimiek in gezichtsuitdrukkingen, stemgeluiden, de lichaamstaal, gebaren, houdingen – en dit in verband tot een specifieke omgeving. Door concrete spelvormen wordt dit getraind, met name ook daar waar vergissingen optreden: dezelfde gezichtsuitdrukking kan verschillende emoties betekenen (bijv.: boosheid, verwarring, teleurstelling). Bovendien gaat het om de gehele gezichtsmimiek en niet alleen de stand van de mond of de ogen! Zo worden ook oefeningen gedaan in het uitspreken van zinnen met verschillende intonaties en snelheid om de verschillen in emoties uit te drukken. Spelvormen zijn in alle gevallen handig (‘Hints’!). De intensiteit van de emoties is een tweede aandachtspunt: ‘gemeten’ met een thermometer of volumeregelaar (vgl. een emotie-pyramide). Mensen met Asperger vragen bij emotionele onbalans niet om een emotionele steun (laat staan begripvol aanraken), maar om concrete duidelijke onderkenning van de signalen en de nuchtere reacties daarop. Aanbieden van alternatieven kan bijv. ingetraind worden met behulp van stripfiguren (figuren met gedachteballonnen / Comic-Strip-Conversation), een dag- werkboek, een foto-album met expressies (van anderen en zichzelf), of van situaties met ‘raad wat er aan de hand is’.
Zie verder: Cognitieve Herstructurering Sociale vaardigheidstraining (SOVA)


ID: 48
Status: actief
Naam: AKS-Methode
Omschrijving: De naam staat voor de twee ontwerpers van de methode: Appel en Kleine Schaars. Zij hebben een concrete invalshoek gekozen voor de benadering van mensen met een verstandelijke handicap. De kern ligt in het aanbrengen van een onderscheid tussen de verschillende taken die doorgaans bij een persoonlijk ondersteuner/mentor liggen: die van zaakwaarnemer en van procesbegeleider. Dat wil zeggen de eerste (zaakwaarnemer) regelt, ordent, controleert, onderhoudt contacten en is zo een formeler aanspreekpunt om tot een duidelijker kader en een betere regulering van regels en afspraken te komen. De procesbegeleider is de vertrouwenspersoon in de alledaagse praktijk, die primair voor de belangen van de bewoner / cliënt op komt en haar of hem helpt in al die concrete dingen waar zorgen, beperkingen en doelen liggen. Voor Appels en Kleine Schaars is het uitgangspunt het versterken van de zelfstandigheid en gelijkwaardigheid tussen cliënt en begeleiding. Door een betere ordening van de rollen komen begeleiders doorgaans meer toe aan de echte ondersteuning, en lopen ze minder het risico in de strijd te komen over afspraken en regels. Bovendien wordt de cliënt serieus genomen in datgene wat zij/hij zelf wil regelen: daarvoor is een eigen rol neergezet in de zaakwaarnemer. Deze heeft op gezette tijden een afspraak om alle vragen die er liggen van de cliënt over concrete regels en activiteiten door te nemen en met de cliënt samen tot een oplossing te komen. Uitgangspunt ook hier is de gelijkwaardigheid dat de betrokkene zelf een duidelijke inbreng heeft, goed gehoord wordt en de mogelijkheden serieus worden onderzocht en gewogen. De zaakwaarnemer is ook in een positie waarin ook duidelijke kan worden geconfronteerd en de grenzen aan wat mogelijk is kan aangeven. De procesbegeleider helpt de betrokkene vervolgens om de emoties te kanaliseren en de alledaagse dingen mee te dragen en vorm te geven. De procesbegeleider ondersteunt de betrokkene ook om de vragen richting zaakwaarnemer op te pakken. Deze begeleider zoekt en toetst de belevingswereld van de cliënt, en heeft eigenlijk inhoudelijk meer tijd om met de concrete doelen van de cliënt bezig te zijn. De cliënt kan zo ervaren dat de begeleiding zich niet al te bemoeierig opstellen, omdat ze eigenlijk vooral dat doen wat de betrokkene zelf met de zaakwaarnemer heeft afgesproken. Deze vorm van ondersteuning vraagt van begeleiders ook een eigen open en terugtredende houding. Er ontstaat daardoor wel meer kans om positief en actief dingen samen te doen, een luisterende houding te hebben en helderder de eigen rol neer te zetten. Soms ervaart ook de begeleiders de helderheid van de verschillende rollen als een rust in de begeleiding. De procesbegeleider, tenslotte, heeft een belangrijke signalerende rol richting zaakwaarnemer – waar deze het risico loopt om te hard voorbij te lopen aan de vragen, of de cliënt over-/ onderschat in de afspraken. Zaakwaarnemer en procesbegeleider onderhouden contacten met het netwerk en samen met het team wordt zoveel mogelijk gekeken naar wat de grenzen zijn van de ‘zelfbepaling’ van de betrokken cliënt en welke speelruimte er is. Dit betekent een regelmatig gezamenlijk overleg over de inzet en vorm van afspraken. Er moet een zo duidelijk mogelijke balans zijn tussen wat een cliënt aan kan en wat niet.


ID: 54
Status: actief
Naam: Alonso
Omschrijving: I enjoy travelling l carnitine met rx 1000 Comments regarding the above article. This case has to be one of the most ridiculous that I have seen in many years. Do I approve of her behaviour? NO!! However, far worse “crimes” have been ignored or a “slap on the wrist” type of punishment. I guess a appropriate perspective would be “If a male “coach, teacher or neighbour” would they be given the same punishment, if so, your prisons would be more than full to capacity. Please review records has a male EVER received this type of penalty, in the past, for the same crime!


ID: 2
Status: actief
Naam: Assertiviteitstraining
Omschrijving: Assertiviteit verwijst naar een adequate manier van opkomen voor jezelf in sociale situaties. Het gaat dan om een aantal vaardigheden die dat ‘opkomen voor jezelf’ vormgeven. Dit hangt dan tevens samen met een versterken van de eigen weerbaarheid, dat wil zeggen in het aangeven van ‘eigen grenzen’. Er bestaan allerlei vormen van groepstrainingen rondom de vraag: hoe en wanneer laat ik op een goede manier zien en horen van wat ik wil en wat ik niet wil? De vaardigheden richten zich op aspecten van ‘het bewust zijn van jezelf’ (de psychische kant die het reflectief vermogen aanspreekt, d.w.z. het goed kunnen terugkijken op en naar jezelf en je eigen handelen), van bewustzijn van wat je wil, of niet wil (wat ik wel of niet belangrijk vind) en van ‘bewust gedragen’ (de praktische kant, gericht op concrete handelingsvaardigheden: wat kan ik wel en niet, of wat hoort wel of niet bij mij, is iets wel of niet iets van mezelf). Trainingen willen ook doelgericht ‘assertief’ gedrag versterken: kom op voor jezelf. Daarbij wordt gewerkt met oefeningen in groepssituaties en praktijksituaties in het alledaagse leven: rollenspel, opdrachten uitvoeren in allerlei verschillende situaties (straat, winkel, bar), denkoefeningen. Er zijn op deze hoofdlijnen verschillende variaties te vinden, afhankelijk van de trainers en de samenstelling van de groep. Het is in deze trainingen mogelijk dat de eigen visie van de persoon op zichzelf verandert en de betrokkene een passender beeld van zichzelf verwerft. Dat betekent vaak ook dat er meer tevredenheid over zichzelf ontstaat en mensen beter in staat zijn hun eigen mening, ervaring, of emoties onder woorden te brengen. Een training kan ook gebruik maken van een ‘dagboek’, als een vorm van opdracht, waarin de betrokkene eigen gedrag registreert: concrete situatie, het eigen handelen en de gevolgen. Uiteindelijk gaat het hierin om het leren herkennen van eigen keuzemomenten. De persoonlijke vaardigheden worden versterkt door steeds eigen ervaringen bespreekbaar te maken, onzekerheden of boosheid onder woorden te brengen, de voorbeelden uit te spelen, contact te maken, te leren luisteren, concrete vragen te stellen, in ‘ik-boodschappen’ te praten, woorden als ‘ik wil…’ of ‘ik kies voor …’, ‘nee’ leren zeggen, kritiek geven en ontvangen, alternatieven te bedenken voor ervaringen van mislukkingen, positieve (complimenten) geven en ontvangen, hulp vragen, ontspanningsoefeningen te doen. In deze vormen komt het er op neer om persoonlijk meer en beter in staat te zijn om regie over jezelf en de situatie te krijgen of te houden. Het vergroten van de eigen regie, als een ervaring van zelf-efficacy, versterkt een positief zelfbeeld en verlaagt het risico van het terecht komen in een voortdurende ondergeschikte rol, of slachtofferschap. Voor mensen met een verstandelijke beperking is het aanbod van dit type trainingen niet zo groot. Veelal is dit via de regionale MEE-instellingen terug te vinden. (Zie ook: sociale vaardigheidstraining).


ID: 36
Status: actief
Naam: Belonen, negeren & begrenzen
Omschrijving: Het gaat hier om concrete directe reactie-vormen op gedrag dat gewenst of niet gewenst is. In algemene zin valt bijna niet te ontkomen aan een bepaalde reactie op gedrag, ongeacht de vorm er van. Het bewust inzetten van een beloning, al is het een bevestigend knikje of een complimentje, dan wel het negeren of juist begrenzen is een vorm van gedragsbeïnvloeding die past binnen de leertheoretische principes (vgl. gedragsbenadering*).
Beloningen zijn concrete positieve reacties op gedrag en worden ingezet om gedrag te versterken. Begrenzingen zijn concrete negatieve reacties op gedrag, en worden in die betekenis ook als bestraffing gezien om gedrag te doen afnemen. Negeren beoogd hetzelfde, maar is eigenlijk een onvoldoende respons. In het versterken of af laten nemen van gedrag is het eerder een ‘gok’: soms werkt het, vaker niet. In de praktijk richt negeren zich dan ook op ‘klein gedrag’. Overigens is het zo dat de door de omgeving bedachte beloning niet de feitelijke beloning hoeft te zijn. Het gaat er voor de betrokkene zelf om dat deze een positieve ervaring opdoet! Zo kan het zijn dat een begrenzing een voor de betrokkene positieve ervaring oplevert (bijv. in situaties van spanningsreductie), of een beloning juist eerder een negatieve situatie oplevert (bijv. in situaties van machtsmisbruik of paradoxale boodschappen: als beloning krijg je geen straf). Er zijn drie positieve situaties: 1) beloningen die een positieve situatie versterken; 2) waarbij een negatieve situatie verdwijnt; 3) waarbij de te verwachten onplezierige situatie juist niet gebeurd.
Er zijn drie negatieve situaties: 1) begrenzingen die een negatieve situatie versterken; 2) waarbij een positieve situatie verdwijnt; 3) waarbij de te verwachten positieve situatie niet gebeurd.
Het is alle gevallen zo, dat de inzet van beloningen of begrenzingen nadrukkelijk moet worden bekeken op hun eigenlijke waarde! (Vgl. Functionele Analyse*) Methodisch vraagt dit een concrete gedragsomschrijving en in welke situaties het beoogde gedrag voorkomt, wat de doelstelling is (een geheel of gedeeltelijk beïnvloeden van het gedrag?), wat de reactie is en of deze ook concreet door allen kan worden uitgevoerd, welke vorm die reactie krijgt voor de betrokkene zelf (de beloning zelf) en tenslotte over welke periode de respons wordt gegeven en volgehouden. Een niet afgebakende tijd is contraproductief. De beloning is bij voorkeur geen geld, maar een respons die voor haar/hem een duidelijke ‘winst’ oplevert, of positieve betekenis heeft: iets lekkers, iets functioneels (tekenstiften), samen een DvD kijken, of een inwisselbaar fiche. (vgl. Token Economy*). Begrenzen is vooral aan de orde bij impulscontroleproblemen en in de vorm van straffen al beter niet inzetbaar. Het gaat dan ook om grensoverschrijdend en (zelf)destructief gedrag. Praktisch is bijv. het gebruik van een plaswekker een goed hanteerbare begrenzer! Niet zelden ook vinden kinderen en jongeren zelf een bepaalde begrenzer ‘goed werken’, zeker ook als ze daar dan zelf een rol in kunnen spelen (bijv. een ‘time out’). Begrenzingen of straffen moeten ook zeer direct volgen op het gedrag (niet uitstellen tot later) en vragen om een redelijk alternatief: wat niet kan is dan duidelijk, maar wat kan wel??? Het aanbod van dit alternatief is een versterker van gewenst gedrag! Dit is overigens iets anders dan een ‘weer goed maken’!!!


ID: 51
Status: actief
Naam: cagnwep
Omschrijving: dAJetX qpwztwsucrrq, [url=http://jsdmjjcgwqhy.com/]jsdmjjcgwqhy[/url], [link=http://nalqqtfwvnbz.com/]nalqqtfwvnbz[/link], http://pltkxbjvxkwz.com/


ID: 18
Status: actief
Naam: Cognitieve benaderingen
Omschrijving: Kernpunten in deze benaderingen zijn de denkprocessen en informatie verwerking in relatie tot gedrag. Gedrag wordt primair aangestuurd door deze twee kernpunten in wisselwerking met de omgeving (vgl. milieutherapie, sociaal-ecologische benadering, e.d.). Ofwel: de veronderstelling dat gedrag en emoties door (cognitieve) informatieverwerking worden gestuurd. Veranderen we deze dan kunnen ook emoties en gedrag beïnvloedt worden. Cognities zijn er tenminste op drie niveau’s: in ontwikkelde denkschema’s als de wijze waarop informatie wordt verzameld; in de wijze waarop deze wordt georganiseerd en onthouden (geheugen); en: in de wijze waarop deze weer wordt gebruikt in de aansturing (in beelden, gedachten, verwachtingen) van wat men voelt en doet. In deze processen worden situaties, gebeurtenissen, handelingen, gevoelens, op een eigen specifieke wijze met elkaar in verband gebracht: de cognitieve schema’s vormen de bril waardoor we kijken en het filter waardoor we handelen. Er zijn inmiddels verschillende methodische vormen ontwikkeld, die allemaal wel een bepaalde overeenkomst met elkaar hebben, m.n. in het centraal benaderen van de interpretatieprocessen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van functionele -, of gedragsanalyses*. Denken is een specifieke vaardigheid die in concrete situaties kan worden getraind en bovendien kan het proces van verwerken van informatie beter gestuurd worden door beter na te denken. In de praktijk betekent dat vaak het hanteren van denkstappen, voor er gehandeld wordt. Zo ontstaan zelfcontroletechnieken en probleemoplossingsvaardigheden. Voor mensen met een lichte verstandelijke beperking komen deze verbaal-rationele benaderingen overigens het meest in aanmerking. Bij een matige of ernstige beperking worden deze vormen moeilijker bruikbaar. Zie: - Affectieve educatie - Cognitieve gedragstherapie - Cognitieve herstructurering - Constructionele gedragstherapie - Functie, cq. functionele analyse - PAD: programma alternatieve denkstrategieën (PATH) - Schema-focussed Therapy - Theory of Mind (TOM)-training - Zelf Instructie Training (ZIT)


ID: 28
Status: actief
Naam: Cognitieve herstructurering
Omschrijving: Bij cognitieve herstructurering is de rationeel-emotieve therapie* een belangrijk uitgangspunt. De benadering stelt de cognitieve attributies centraal, d.w.z. mensen ontwikkelen bepaalde denkschema’s over zichzelf, anderen, situaties, gebeurtenissen. We ‘denken oorzaken toe’ aan hoe anderen reageren, of hoe situaties ontstaan. Negatieve zelfbeelden, of het niet of juist wel behalen van een examen bijvoorbeeld. Een eenvoudig model van denken dat hieraan ten grondslag ligt is dat wanneer ik denk dat ik bang wordt, ik me ook angstig zal gaan voelen. Het is erg lastig om de bestaande schema’s die we hanteren te veranderen terwijl deze wel bepalend zijn voor ons welbevinden. In onze manier van denken brengen we onze ervaringen al snel onder in denkschema’s die we generaliseren: “Als het hier zo is, dan zal het daar ook wel zo zijn!” Deze schema’s dragen voor een groot deel bij aan hoe de wereld om ons heen door onszelf wordt waargenomen en verwerkt. De denkprocessen zijn ook niet duidelijk zichtbaar, maar komen tot uiting in hoe we ons gedragen en wat we voelen – en dan nog is de interpretatie daarvan niet eenvoudig. Angst, onzekerheid, boosheid, verdriet, of concrete negatieve gedachten over onszelf en de ander worden duidelijk wanneer deze woorden krijgen of in hoe we ons verhouden tot de omgeving: teruggetrokken gedrag, afwijzing, grote mond, e.d. De RET richt zich met name op de denkprocessen en concrete gedachten. Cognitieve herstructurering heeft een bredere inzet. Ze richt zich niet alleen op het herdenken van de vooronderstellingen en attitudes die we innemen. Het gaat om het herordenen van de ideeën, beelden, vermoedens en gedachten, vormen van denkstijlen die we er op na houden en daarmee ook het problematisch gedrag en de moeilijke situaties waarin we belanden. In feite zijn deze gedachten en meningen niet adequaat of: irrationeel – ze kloppen niet, ze vertekenen de werkelijkheid. Bij kinderen kan de cogn. herstruct. vorm krijgen in het vertellen van verhalen in een radioprogramma: het kind kan dit zelf bedenken en vertellen, wat de les van het verhaal is en brengt de therapeut een tegenverhaal in (Gardner). Bij jongeren benoemt Beck (Cladder cs.) een viertal fasen: 1) het verkrijgen van de concrete denkgegevens (wat wordt er gedacht, verbeeld): waarnemingen, vooronderstellingen, verwachtingen, opvattingen e.d., en het meer bewustmaken er van; 2) het analyseren van deze gegevens op thema’s, denkprocessen, en op voor- en na-delen van wat gedacht of verbeeld wordt. Bovendien wordt nadrukkelijk gekeken naar de eigen negatieve opvattingen over situaties die in verband worden gebracht met de daarbij passende emoties; 3) het bekijken wat de meest logische of zinnige gedachte is bij de situatie! Waarom zou die gedachte dan kloppen? Zijn er alternatieven te bedenken? Zo worden ‘denkfouten’ helder; 4) Het oefenen van alternatieve denkbeelden of opvattingen: een experimenteer en toepassingsmoment om uit te proberen of andere gedachten beter zouden werken. Dit kan bijv. ook met behulp van zelfinstructie*. Zie verder: Rationeel emotieve therapie (RET)


ID: 16
Status: actief
Naam: Competentiebenadering
Omschrijving: Centraal staat de balans of het evenwicht tussen kenmerken en vaardigheden – draagkracht - aan de ene zijde en draaglast en ontwikkelingstaken aan de andere kant: een weegschaalmodel. Competentie is meer dan een vaardigheid: het is de kracht (vermogen, potentieel) die ontstaat in de verbinding van kennis en vaardigheden met persoonskenmerken en motivatie. Het succes dat dit met elkaar oplevert is de eigenlijke competentie. In de praktijk wordt vooral het accent gelegd op de vaardigheden en kennis, in mindere mate op motivatie en al veel minder op de persoonskenmerken. Je ziet dit wel terug in personeelsmanagement, maar amper in zorg- en hulpverleningskaders. Competentiegericht werken, cq. het sociale competentiemodel, richt zich vooral op die concrete vaardigheden die in het leven van alle dag noodzakelijk zijn rondom zelfredzaamheid en sociaal functioneren. Afhankelijk van de leeftijd komen daar ook ontwikkelingstaken bij die bij een specifieke leeftijd horen. Er wordt gestart met een sterkte-zwakte analyse: waar liggen in de concrete taken de sterke en zwakke kanten en welke uitdagingen komen daar uit naar voren. In de beoordeling worden de zgn. aspecten bij de persoon en omgeving die de draagkracht verhogen (mate aan veerkracht en protectieve elementen), of de draaglast verlagen (kwetsbare elementen, risico’s) meegenomen. Het is van belang om deze analyse zoveel mogelijk met de betrokkene zelf te ondernemen om de eigen motivatie en persoonskenmerken aan te spreken. Daarbij, als vorm van psycho-educatie, krijgt iemand op deze manier al een adequatere kijk op zichzelf. De kracht van deze werkwijze ligt tenslotte ook op de positieve benadering door de sterke punten naar voren te halen: niet zelden zijn de zwakke punten al vele malen benadrukt. De uitdagingen vormen dan uiteindelijk concrete punten (werkdoelen) waaraan gewerkt kan worden. In de regel gaat het in dit model om een groepsdynamische aanpak middels fasen en scoringssystemen (Token Economy bijv.). De fasen worden opgebouwd vanaf de alledaagse levensstructuren: ritme in de dag, zelfverzorging, houden aan afspraken, invulling vrije tijd, volhouden dagbesteding, omgaan met kritiek (feedback), vriendschappen en seksualiteit, e.d.. In elke volgende fase komen er zo steeds complexere vaardigheden bij. Bij het verwerven van de gewenste vaardigheden worden ook de mogelijkheden en motivatie van de betrokkene vergroot middels privileges / beloningen, die overigens ook weer kunnen worden afgenomen bij terugval. De verworven vaardigheden worden als opgenomen verantwoordelijkheden gezien. D.w.z. de extern aangeleerde vaardigheden worden ‘eigen’ verworven taken. Het probleemgedrag wordt meer specifiek gecombineerd aangepakt met aanvullende vormen van training en/of therapie. De theoretische onderbouwing is bepaald door de vertaalslag die gemaakt moet worden tussen dat wat iemand wel weet maar nog niet concreet kan uitvoeren, in combinatie met de visie dat gedrag in stand wordt gehouden door bekrachtiging.


ID: 20
Status: actief
Naam: Constructionele gedragstherapie
Omschrijving: Deze vorm is een van de meest voorkomende vormen van (cognitieve) gedragstherapie. Gedrag komt tot stand door de invloeden van de context / omgeving. Elke persoon is op een bepaalde manier ingebed in een omgeving en er zijn bepaalde persoonlijke voorwaarden in de omgeving noodzakelijk om goed of beter te kunnen functioneren, zich goed te voelen of positieve denkprocessen te ontwikkelen. De een voelt zich goed wanneer er voldoende prikkelende uitdagingen worden gesteld, de ander heeft behoefte aan een rustige omgeving, de een wil storten op een enkel onderdeel van een werkprogramma, een ander zoekt een café om prettig te kunnen werken. Er zijn verschillende, wisselende factoren die bij iemand bij elkaar komen en zijn of haar gedrag op een positieve manier bevorderen. Er moet daarbij zo nauwkeurig mogelijk inzicht ontstaan in die concrete omgevingsfactoren en dan nog in het bijzonder met de blik gericht op die momenten waarop het juist goed ging, de betrokkene goed in haar/zijn vel zat, zich prettig voelde en goed presteerde, of tevreden was over het gedragsbeeld. Daarbij wordt rekening gehouden met die factoren in de omgeving die het gedrag oproepen en die factoren die op het gedrag volgen. Er wordt dus vooral een omgevingsanalyse gemaakt, in plaats van een gedragsanalyse. Er wordt a.h.w. een omgeving geconstrueerd waarin dit het geval is en stap voor stap gewerkt aan het realiseren van een dergelijke meest wenselijke omgeving. Vanuit die situatie worden de sterke kanten van de betrokkene in kaart gebracht. Tevens wordt gewerkt aan de momenten waarop dit juist niet het geval is en wat de betrokkene dan aan zelfmanagementvaardigheden kan gebruiken en ontwikkelen. De eigen regie wordt feitelijk versterkt door de omgevingsfactoren beter hanteerbaar te maken en de eigen handelingen te generaliseren, cq. in meerdere omgevingen adequater toe te passen. Deze manier van benaderen is overigens ontwikkelt door Bakker-de Pree (1987), vanuit een theorie van “dominante actieve vermijding”. Omgezet betekent dit dat er methodisch gewerkt wordt in het uitbreiden van die situaties waarin de betrokkene goed – d.w.z. klachtenvrij – functioneert (vgl.site van de vereniging voor gedragstherapie en cognitieve therapie-VGCT). In de best mogelijke situatie leert de betrokkene om de juiste elementen uit de omgeving te onderscheiden waar zij/hij houvast aan kan ontlenen en die vervolgens toe te passen (cq. in te brengen) in nieuwe situaties en omgevingen. Daarmee wordt het vermijdingsgedrag structureel omgezet.


ID: 43
Status: actief
Naam: Contactgericht Spelen & Leren (CSL)
Omschrijving: Oorspronkelijk gericht op autisme is de brede invalshoek van CSL een bruikbare methodiek om de speelervaringen van het kind zelf als uitgangspunt te nemen voor een versterking van de sociaal-emotionele (ontwikkelings-)mogelijkheden. Vanaf medio ’90 komen een aantal methoden vanuit Amerika ook in Nederland in beeld zoals Son-Rise (of: Option, of: Kaufmanmethode) of Growing Minds. Methoden die door resp. Kaufman en Wertz zijn opgezet vanuit hun eigen persoonlijke ervaringen met hun kinderen om ondanks de aanwezige beperkingen de ontwikkelingsmogelijkheden van hun kinderen te verbeteren en nieuwe kansen te bieden. Er ligt een optimistisch-religieuze visie onder (risico van genezingsdenken). De methoden zoeken concreet naar mogelijkheden van interactie – en contactopbouw. De uitgangspunten zijn kort samengevat de volledige acceptatie van het kind zoals deze zich presenteert, het kind een ruimte bieden om zelf controle te krijgen over de contactname en van daaruit leermomenten te ontwikkelen. Ouders spelen een centrale rol in deze methode: elke dag worden verschillende uren doorgebracht in de daarvoor ingerichte speelkamer. Deze kamer is sober (prikkelarm), met spiegels (als het kan een doorkijkspiegel) en een hogere plank waarop verschillende dingen kunnen worden neergezet waar het kind gebruik van zou kunnen maken. Vanwege de intensiteit van de speeluren worden vrijwilligers gevraagd met wie samen een team gevormd wordt. Naast de concrete attitude-verandering die bij ouders en begeleiders optreedt (het kind wordt als positief ervaren!) ontstaan kleine succeservaringen: er ontstaat oogcontact, er vinden interacties plaats op initiatief van het kind, er worden leerprocessen mogelijk (het speelgoed van de plank krijgen…). Er ligt geen druk op het tempo van het proces, al is het gevaar groot dat ouders te hard gaan. Daarin hebben ze ook ondersteuning nodig. Zo wordt ook Son-Rise vorm gegeven. Uitgangspunt is dat het kind de wereld als verwarrend en chaotisch ervaart, als bedreigend. De primaire houding van het kind is het op afstand blijven van de alledaagse werkelijkheid: alles van buitenaf wordt niet toegelaten, het kind isoleert zich. Zo wordt de ontwikkeling sociaal-emotioneel geblokkeerd. Maar: waaraan ervaart het kind plezier? Welke activiteiten spreken aan? De eerste aanknopingspunten zijn die, die het kind zelf al doet (en vaak verstart in vast zit, of door geobsedeerd wordt). Het samen doen (joinen) is een eerste stap hierin. Langzaam (!!!) maar zeker wordt dan het joinen misschien tot een vorm van interactie en contactname. Een nadeel is dat Son-Rise (‘groeien van de zoon’- aldus Kaufman), alleen in het instituut in Amerika kan worden ingetraind en duur is. Een attitude-verandering als basis is niet eenvoudig, daarvoor wordt Option ingezet: een andere manier van denken, vanuit de mogelijkheden die er op het eerste gezicht niet zijn! Dat betekent een onvoorwaardelijk geloof in die mogelijkheden. De ouders en vrijwilligers moeten zichzelf in hun eigen ervaringen opzij zetten ter wille van het kind en open en ontspannen zijn. Het is overigens een moeizaam proces, niet zelden een stap vooruit en een terug! Toch zijn er intussen positieve ervaringen opgedaan en wordt er in de nabije toekomst ook onderzoek naar gedaan. Bij Growing Minds worden de uitgangspunten van Son-Rise gebruikt, maar ook gedragstherapeutische mogelijkheden. Wertz benadrukt de veelzijdigheid zoals het belang van de neurobiologische aspecten. Nadrukkelijk komt de opdracht naar voren om de unieke mogelijkheden van elk kind te ontdekken en daarvoor de voorwaarden te scheppen (incl. voedingsadviezen). In Nederland wordt CSL o.m. centraal gesteld in ‘De Parel in de Oester’ van Anneke Groot.


ID: 41
Status: actief
Naam: dotklcjxh
Omschrijving: cBexoW oayujfridtvl, [url=http://ofsdblbpwues.com/]ofsdblbpwues[/url], [link=http://wlylngfndcrt.com/]wlylngfndcrt[/link], http://ibaiyzkgqemq.com/


ID: 15
Status: actief
Naam: Edison
Omschrijving: One moment, please cheap levitra Serino, the lead investigator in Martin's death, said he played the tapes for Tracy Martin two days after his son's death on Feb. 26, 2012. He said the father was desperate for answers about his son's death.


ID: 21
Status: actief
Naam: EIM: Eigen Initiatief Model
Omschrijving: Dit model richt zich op de versterking van de vaardigheden van mensen met een verstandelijke beperking om op alle mogelijke levensgebieden meer zelf verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Daarmee ligt er een direct verband met de burgerschapsvisie. Het model is vooral praktisch bedoeld en heeft een kernpunt in de ontwikkeling van het denken. Wanneer iemand beter nadenkt over dat wat zij/hij doet, ontwikkelt zich ook een groter vermogen tot handelen en daarmee weer worden de algehele ontwikkelingskansen van mensen met een verstandelijke beperking vergroot. Hiertoe hebben mensen echter wel een zekere ‘probeerruimte’ nodig. Het model keert zich tegen een afhankelijkheidspositie van mensen met een beperking, en omgekeerd ook tegen een hulpverleningssyndroom (het voortdurend geneigd zijn tot het verlenen van zorg!). Daarmee wordt meer recht gedaan aan wat de betrokkene zelf kan denken en kan doen. In de praktijk van het model wordt er een uitdrukkelijk beroep gedaan op de zelfoplossingsvaardigheden! Deze worden gestimuleerd door concrete opdrachten die als werkdoelen worden opgezet. Het ‘leren leren’ komt dan in beeld: het gaat niet om het uitvoeren van de concrete taak (koffie zetten, zelf boodschappen doen, contact maken met iemand anders, de was doen, etc.) maar om het leren bedenken wat daarvoor nodig is. Daarbij maakt het model overigens ook gebruik van een verkeerslicht (vgl. stoplichtmethode). Het begint echter bij rood: stop voor je begint: het proces van nadenken moet gaan beginnen. Concrete vragen helpen daarbij: wat ga ik doen & wat wil ik? / wat is nodig & hoe ga ik het doen? / wat weet ik er al van?. Bij oranje: even checken: gaat het nog goed? Moet er nog iets aan worden gedaan? Kom ik iets tekort? Bij groen: het is klaar, maar: hoe is het gegaan? Heb ik wat ik wilde & is het gegaan zoals ik het had gedacht? Is het goed? Wat doe ik de volgende keer? In concrete oefensituaties wordt dit denken steeds op de proef gesteld: doen wat je zelf kunt, leren wat je zelf wilt. En het mag daar niet bij blijven: er moet sprake zijn van generalisatie. D.w.z. er moet op andere momenten eenzelfde denkproces en handelingsvaardigheid ontstaan. Daar is dan ook coaching op de praktijkvloer voor nodig! De betrokkene dient niet alleen gelaten te worden daarin. Dat maakt het model ook sterker: niet alleen een training, maar een doorpakken naar het alledaagse leven. Coaching (‘ruimte geven en grenzen stellen’) maakt het mogelijk dat deze alledaagse situaties ook veilig genoeg zijn om als ‘probeerruimte’ te functioneren. Het inzetten van EIM is niet vrijblijvend, omdat er met concrete doelen wordt gewerkt. Deze doelen dienen klein en overzichtelijk te zijn (gevaar voor overvraging). EIM kan evenmin incidenteel worden gebruikt, omdat EIM ingebed moet zijn in het totaalbeeld en de wensen van de betrokkene zelf (zoals persoonlijke toekomstplannen). EIM maakt overigens vooraf geen onderscheid in mate van de verstandelijke beperkingen zelf. Naast deze methodische aspecten vraagt het model aandacht voor training en implementatie in de organisatie.


ID: 7
Status: actief
Naam: Ellis
Omschrijving: Very interesting tale l carnitine 2000 mg October is for coddling. The lineups will not be settled in Providence, and they won’t even be settled after seven preseason games. That debate will rage throughout this season, because the Knicks have only two set-in-stone starters with Anthony and Tyson Chandler. Every talk-show host, every talk-show caller will be absolutely certain he knows the right combination out on the floor to win a championship.


ID: 39
Status: actief
Naam: EMDR, Eye Movement Desensitization & Reprocessing
Omschrijving: Een methode die vanaf 1990 een bredere bekendheid heeft gekregen, o.m. door het werk van Francine Shapiro. Het meest in het oog springend is de handbewegingen die gemaakt worden die de ogen moeten volgen van links naar rechts, om de beide hersenhelften te prikkelen (bilaterale stimuli). Inmiddels blijken ook alternatieven mogelijk: een koptelefoon met klikgeluiden die elkaar links/rechts afwisselen. De EMDR is in hoge mate bedoeld voor het verwerken van ingrijpende, traumatische ervaringen, en in het bijzonder de post traumatische stress stoornis (PTSS). De inzet van EMDR is om de scherpte van de angstbelevingen te verminderen (desensitisatie) en alternatieve positieve belevingen te stimuleren (reprocessing). Het accent is juist op de laatste wijze van informatieverwerking komen te liggen. Het is zelfs zo dat Shapiro inmiddels zelf liever een andere naam aan de therapiemethode zou willen geven: Reprocessing Therapy, omdat de Eye-Movement aspecten zelf een minder prominente rol spelen. Ook de werking daarvan wordt nog voortdurend onderzocht. De therapievorm heeft wel zijn duidelijke waarde bewezen: er zijn inmiddels al diverse onderzoeken naar gedaan (zie de site van EMDR) en de toepassing is voor verschillende leeftijdgroepen mogelijk. De methode is als protocol opgezet aan de hand van duidelijke gefaseerde en concrete gedragsgerichte richtlijnen en afspraken tussen cliënt en behandelaar (zie handboek EMDR). Uiteraard kan de EMDR pas echt starten na een passende diagnostiek en een goede voorbereiding (duidelijke uitleg, contra-indicaties e.d.). De eigenlijke therapie richt zich op de volgende onderdelen: 1) de fase van het ‘scherp zetten’: er moet een concreet en meest emotioneel geladen beeld (niet filmisch maar als fotografisch beeld) van de traumatische ervaring worden gethematiseerd waarmee de cliënt zich identificeert (= doel) en de negatieve gedachten daarover moet formuleren. Naast deze negatieve gedachten wordt gezocht naar de meest positieve en geloofwaardige gedachten die daarnaast mogelijk zijn. Het benoemen van de meest belangrijke emotie bij het beeld en de negatieve gedachten en dit ook concreet lichamelijk aangeven: waar het lichaam reageert op deze emotie. Het is cruciaal dat het beeld met de emotionele lading zo groot mogelijk is. 2) de fase van verminderen van angsten (desensitisatie): met behulp van de handbewegingen voor de ogen, of andere stimuli, de concentratie op het doel (herinnerde beeld) en de lichaamsbeleving daarbij verhogen en de associaties en spanningen regelmatig vaststellen tot de spanning is gedaald. 3) fase van het koppelen van positieve gedachten aan het doel: ook met behulp van de externe stimuli, tot ze een redelijke ‘stevigheid’ hebben. Het is tevens van belang om te registreren of er ergens nog lichamelijke spanningen zitten. 4) afronding: met mogelijkheden om een toekomstige situatie aan te kunnen, een ontspanningsoefening en het gebruik van een dagboek voor de eerstvolgende dagen. Bij elke volgende sessie worden de bereikte resultaten steeds geëvalueerd. EMDR kan niet door iedereen zo maar worden toegepast. Er bestaan inmiddels voldoende opleidingsmogelijkheden en ook binnen de zorg voor van mensen met een verstandelijke beperkingen wordt de therapie meer en meer gebruikt bij traumatische ervaringen.


ID: 31
Status: actief
Naam: Family group conferences - FGC
Omschrijving: zie: Eigen Kracht Conferentie


ID: 19
Status: actief
Naam: Feuerstein benadering
Omschrijving: Zie: Ontwikkelingsgericht begeleiden


ID: 53
Status: actief
Naam: First Things First
Omschrijving: First Things First Behandelmethodiek t.b.v. SGLVG Een methodiek die gericht is op de sociaal-emotionele problematiek en een verstandelijke beperking. De kern daarvan wordt bepaald door de verstoringen in de ik-ontwikkeling en emotieregulatie. Kinderen en jongeren met deze problematiek vertonen gedragsproblemen, worden over- of ondervraagd en ontwikkelen niet zelden psychiatrische stoornissen. De methodiek is opgebouwd met behulp van vier fasen en drie domeinen: - fase 1: gericht op opbouw van veiligheid en betrouwbaarheid - fase 2: gericht op verandering aan de hand van een persoonlijke sterkte-zwakte analyse - fase 3: gericht op stabilisering van bereikte werkdoelen - fase 4: gericht op transfer naar een passend woon- en werkperspectief. De drie domeinen, klimaat, relatie en systeem, krijgen in deze fasering een eigen invulling op basis van de ontwikkeling die de jongeren doormaken. De methodiek is individueel georiënteerd, nl. afgestemd op de specifieke vraagstelling. De kracht van de methodiek is de inzet op dat wat steeds als eerste nodig is: veiligheid en betrouwbaarheid van de situatie en van de relatie met begeleiding. Dat geldt steeds bij elke nieuwe situatie en bij elk nieuwe persoon. Dat betekent dat het handelen ruimte maakt voor: - tijd nemen, zonder druk te leggen op wat ‘moet’; - duidelijkheid bieden over wat concreet kan in het hier en nu, zonder de jongeren te overvallen met een veelheid aan regels; - in de relatie de persoon zijn die je bent en concreet zijn in wat je kunt en niet kunt; - bevestiging bieden in wat realistisch is; - versterken van de zelfoplossingskwaliteit van de jongeren; - psycho-educatie in de ontdekking van wie ze zijn en waar ze last van hebben; - ondersteunen in relatie tot eigen netwerk/gezin; De basis voor verandering wordt gelegd in de eerste fase: een duidelijke ervaring van een positieve en veilige levenssituatie. De ervaring heeft geleerd dat deze fase gemiddeld ongeveer 18 maanden duurt. Verandering, als vervolgfase, kan ingezet worden op basis van de samen met de jongeren opgestelde sterkte-zwakte analyse (AAIDD) en de van daaruit met de jongeren geformuleerde concrete wensen. Deze worden vervolgens samen omgezet in concrete werkdoelen. Belangrijk aandachtspunten daarbij zijn draagkracht en motivatie. Beiden zijn te versterken en structureel te ondersteunen. De te bereiken doelen worden in het tempo van de jongeren nagestreefd – we hebben geen haast! Het bereiken van doelen is geen indicatie voor een einde van de behandeling: er dient een periode van stabilisering ingezet te worden: kan de jongere dit over een langere tijd en met aangepaste ondersteuning volhouden. Pas daarna is het beter mogelijk om het perspectief en een vervolgssituatie te realiseren en een goede transfer op te zetten. De benodigde nazorg kan daarin worden verwerkt. Gedurende dit proces is een nauwe samenwerking noodzakelijk met het betrokken systeem rondom de jongere. Ouders en anderen beleven de behandeling als even intensief en hebben een eigen betrouwbaarheidservaring nodig om aan te sluiten bij de jongeren. De methodiek is gebaseerd op de theoretische uitgangspunten van verschillende hechtingstheorieën en ervaringen van behandelstrategieën bij m.n. persoonlijkheidsstoornissen. De uitwerking van de methodiek is te vinden door in te loggen op www.methodieken.nl.


ID: 23
Status: actief
Naam: Functie-Analyse (FA)
Omschrijving: “De richting van de functionele gedraganalyse legt nadruk op een zorgvuldig onderzoek van de oorzaken in, en de gevolgen voor de omgeving van een gegeven responsrepertoire.” (Meichenbaum, 1981, p. 195). In de FA wordt een nauwkeurige analyse gemaakt van specifiek gedrag in de specifieke context, met al datgene wat aan het gedrag vooraf gaat en wat er op volgt. Daarmee wordt gedrag geplaatst in een keten van gebeurtenissen en aldus gezien als functioneel in deze keten: er is a.h.w. een logisch verband tussen gedrag en context. Bij een cognitieve functie-analyse komen daar de zelfopvattingen en de cognitieve schema’s die iemand hanteert nog bij. Dat is nog niet zo eenvoudig. Zo wordt er bijv. gewerkt met ABC-schema’s: observaties van voorafgaande gebeurtenissen (Antecendenten)– het gedrag zelf (Behaviour) – de daaropvolgende gebeurtenissen (Consequenten). Dan moet duidelijk zijn om welk specifiek gedrag we het hebben. We zien nl. niet allemaal hetzelfde. Wat is bijv. ‘grensoverschrijdend’ gedrag? Dat kan dan al verbaal, nonverbaal, fysiek onderscheiden worden. Maar wat de een als zodanig ervaart, is voor een ander niet automatisch ook zo. Enige eenduidigheid is noodzakelijk voor een adequate analyse. In ieder geval is het zinnig om probleemgedrag goed te analyseren op tijd en plaats. Prins & Bosch benoemen hierbij twee aspecten van analyse: de topografische en de functie analyse. De topografische richt zich op het bekijken van hoe het gedrag over een aantal situaties zich voordoet en waar het gedrag zelf concreet uit bestaat. De elementen daarvan bestaan uit: de fysieke omgeving; de activiteit; de periode tussen de aanleiding en het gedrag en het mogelijke verloop van de keten van reacties, frequentie, duur en opeenvolging van gedragingen; emoties en gedachten bij het gedrag (voor zover bekend); aanwezige personen. De functie-analyse richt zich op de mogelijke oorzaken of verbanden tussen het gedrag en de omgeving, waarvoor verschillende veronderstellingen (hypothesen) kunnen bestaan. De topografische analyse is de meest gedetailleerde observatie. Het is voor een analyse te overwegen hoe vaak het gedrag bekeken wordt. Zo kun je verschillende technieken hanteren om gedrag te scoren: 1) tijd-opnamen van bijv. 30 min. op een bepaald moment per dag; 2) telkens als het gedrag zich voordoet – d.w.z. wanneer het om gedrag gaat dat niet zo vaak optreedt; 3) intervals-gewijs, bij tics bijv., dan voor een bepaalde periode elke 30 sec. turven of het gedrag voorkomt. Verder kan men kiezen voor een periode-afhankelijke observatie van een opstaan-moment, eetmoment of bij het naar bed gaan. Er worden in de praktijk veel verschillende vormen van FA toegepast. De methode van Heykoop* zou zo gezien een intensieve en uitgebreide FA kunnen zijn. In ieder geval gaat het er om te ontdekken welk verband (probleem)gedrag en omgeving vormen, of er zaken zijn die het gedrag in stand houden, of uitlokken, dan wel bevorderen of belonen. Daarbij is dan nog van belang te ontdekken of de ‘stimulus’ in dit proces positief of negatief is voor de betrokkene. Een eenmaal negatieve ervaring in een situatie kan eenvoudig leiden tot een voortdurend vermijdingsgedrag van soortgelijke situaties, of omgekeerd.


ID: 3
Status: actief
Naam: GAS – Goal Attainment Scaling
Omschrijving: Deze methodische manier van werken is eind jaren zestig in Amerika ontwikkeld door Kiresuk (1968) en is inmiddels breed inzetbaar. Zo staat de ontwikkeling van persoonlijke- of zorgplannen voor mensen met een verstandelijke beperking, vooral in het teken van het uitwerken van een concreet werkplan, of meer in het bijzonder een activiteitenplan. Dit bestaat uit een meetbare opzet van een aantal hoofddoelen en subdoelen, of concretere werkdoelen. De opzet is om vooral de ontwikkeling van het werken met deze doelen goed te kunnen volgen. GAS heeft een sterke evaluatieve component. De Vlaskamp Methode* maakt hier gebruik van en de GAS heeft inmiddels zijn weg gevonden in diverse activiteitencentra en ondersteuningsvormen. Goal attainment scaling is een manier van werken om vanuit algemene doelen tot concretere werkdoelen te komen, waardoor het plan beter georganiseerd wordt en de aandacht duidelijk gericht wordt op haalbare doelen. Daarbij kent deze methodiek een puntensysteem (rapportagepunten), waardoor inzicht worden verkregen in hoeverre een doel wel of niet, dan wel gedeeltelijk behaald wordt. Er is tevens ruimte om aan te geven of er achteruitgang is. In de beoordeling vooraf dient duidelijk te zijn wat het meest ideale doel is (wanneer is dat bereikt) en wat het meest realistisch is. De doelen richten zich op die die er toe doen! D.w.z. alleen op die aspecten van vaardigheden die aandacht verdienen en mogelijk veranderbaar zijn. Dat is niet bepaald een open deur, omdat het in de praktijk vaak tegenvalt om tot werkdoelen te komen (vgl. de SMART-criteria). Bovendien speelt mee dat doelen niet te eenvoudig en niet te moeilijk mogen zijn. De methodiek vereist ook een bredere betrokkenheid van verschillende personen en deskundigen om de cliënt heen. In de schaal is het noodzakelijk om een duidelijke ‘nul’-lijn aan te geven, of een basis te kiezen bij het omschrijven van een werkdoel. Het schema, of de schaal ziet er als volgt uit: +2: het doel is bereikt; +1: er is een (gedeeltelijke) verandering ‘in de richting’ van het doel; 0: de feitelijke beginsituatie rondom een bepaald te bereiken doel; -1: er is een duidelijke achteruitgang ten opzichte van de beginsituatie; (-2: de slechtst mogelijke achteruitgang!) Hierop kan dan in de dagelijkse rapportage worden aangegeven in hoeverre er sprake is van een van deze vier.


ID: 27
Status: actief
Naam: Gedragsgerichte benadering
Omschrijving: Algemene typering van al die vormen van begeleiding en behandeling die primair gericht zijn op het versterken of afzwakken van (nader bepaald) gedrag binnen een situatie. Er is een concreet aanwijsbare relatie tussen aanleiding/oorzaak (A - antecedenten), optreden van het beoogde gedrag (B), en de consequenties ervan (C). In de uitgangspunten wordt gebruik gemaakt van theoretische principes uit behaviorisme, leertheorieën en cognitieve psychologie. Zo zijn conditionering herkenbaar en de betekenis/functie van informatieverwerkingsprocessen. De rol van de ondersteuners is hierin cruciaal. Zij nemen een aantal functies waar, of rollen zoals het ‘model’ staan (modeling*) en het bekrachtigen (belonen, negeren, begrenzen*). Een veel gebruikt beloningssysteem is Token Economy* (TE). De meeste benaderingen in de zorg voor / hulpverlening aan mensen met een verstandelijke beperking maken gebruik van kernprincipes uit de gedragsgerichte benaderingen. Er zijn inmiddels vele vormen en modellen ontwikkeld. Het blijft altijd gaan om veranderen van concreet gedrag (gedragsmodificatie), bevorderen van gewenst gedrag, dan wel uitdoven (extinctie) van ongewenst gedrag en de specifieke middelen om deze doelen te bereiken. In een aantal methoden worden de denkprocessen als uitgangspunt genomen om gedragingen aan te sturen, vgl. bijv.: Cognitieve gedragstherapie* (CGT), of Programma alternatieve denkstrategieën, PAD*


ID: 61
Status: actief
Naam: Geef me de 5
Omschrijving: De door Colette de Bruin ontwikkelde methode bij opvoeding en begeleiding van kinderen met autisme. Ze heeft dit verfijnt in wat ze omschrijft als ‘Auti-Communicatie’ als een brug tussen mensen met en zonder autisme (er is een concrete visuele ondersteuning bij ontwikkeld). Daarbij maakt ze vanuit persoonlijke ervaring duidelijk wat voor mensen met autisme belangrijk is en welke vorm van ondersteuning enig hout snijdt. De aanpak van Geef me de 5 wordt bepaald door de duidelijke keuze voor een unieke aanpak voor mensen met autisme, ook al zijn er algemene aspecten bij autisme (of de paraplu-begrippen die er allemaal onder vallen). Iedereen heeft een eigen ‘barcode’ waaruit duidelijk is op welke wijze de algemene aspecten bij haar of hem concreet zichtbaar of merkbaar is. Daarbij helpen 5 richtinggevende vragen: Wat? Hoe? Wanneer? Wie? Hoe? En soms helpt een zesde vraag: Waarom? Het is een samenleggen van een puzzel en een antwoord op een van de vragen helpt de puzzel compleet te maken. Het ‘wat’ wijst op de concrete taken die moeten worden uitgevoerd. Het ‘hoe’ op de wijze waarop deze zaken moeten worden gedaan (in concrete haalbare duidelijke stappen). Het ‘wanneer’ wijst op het moment waarop de taak start en waarop deze stopt. ‘Waar’ maakt duidelijk op welke plaats de taak moet worden uitgevoerd en het ‘wie’ uiteraard op wie wat doet. De vanzelfsprekendheden van deze vragen worden in de praktijk minder eenvoudig. Soms moeten taken tot hele kleine taakjes worden uiteengerafeld, of is het nodig dat de plaats aanzienlijk moet worden aangepast. Soms ook is het belangrijk dat eerst iemand anders iets doet, voordat de betrokkene zelf iets kan uitvoeren. Etc. Dat komt omdat bij autisme de aandacht voor details, de omgeving, de complexiteit van het geheel, het inleven in de ander, allemaal anders verlopen. Er is extra gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels bijvoorbeeld. Communicatie, een van de belangrijkste aandachtspunten bij mensen met ASS, verloopt dan weer iets gemakkelijker langs de weg van visualiseren. Colette de Bruin hanteert in haar benadering dan ook hele concrete middelen, zoals mindmap, afsprakenschrift, contract en strategiekaart (voor onderwijs). Bij dit alles maakt ze gebruik van de sterke punten van mensen met autisme.


ID: 10
Status: actief
Naam: Gentle Teaching
Omschrijving: Gentle Teaching is ontwikkeld in de Verenigde Staten door J. McGee & F.J. Mescalino. Siepkamp heeft een voor ons land toegankelijke publicatie geschreven. Naast een preventieve en ontwikkelingsgerichte bruikbaarheid is er een belangrijk accent gelegd op de behandelingsmethodiek t.b.v. gedrags- en psychische problemen (Peeters). Centraal is het aanbod van betekenisvolle, actieve, aanhoudende en onvoorwaardelijke interacties, die de ontwikkeling stimuleren en de problemen doen verminderen. De begeleider zet zichzelf in als instrument, maar niet afstandelijk, maar nabij: er dient een relatie tot stand te komen, een band. Deze band is eigenlijk normaal in elke ontwikkeling van kind tot volwassene, als een vorm van hechting, of ‘bonding’. Er ontstaat, als het goed is, een wederzijds uitwisselen van positief gedrag en het (zoveel als mogelijk is) negeren van negatief gedrag. Eigenlijk zit de methode zo in de naam ervan: ‘gentle teaching’. Houding (‘posture’) en gedrag van begeleiders is (uitsluitend) afgestemd op positieve elementen en gedrag van de cliënt. Welke menselijke waarden dragen we nl. over? Solidariteit, warmte, nabijheid, liefde, zorg, waardering, acceptatie, respect? In de achtergrond zitten leertheoretische principes, zoals het belonen van positief gedrag met deze menselijke interactie! Niet alleen de interactie staat centraal, ook het uitbuiten van alle mogelijke aspecten in en aan de omgeving: deze dienen bij uitstek menswaardig te zijn – omdat dit niet alleen het respect voor de cliënt laat zien, maar ook de begeleiders ondersteund in hun houding en benadering. Zo dient elke vorm van straf en te worden vermeden. Gentle Teaching wil anti-autoritair zijn. Zij presenteert zich op drie wijzen: 1. De begeleiding dient veiligheid en geborgenheid uit te stralen; 2. Woorden en contacten (ook fysiek) dienen belonend te zijn; 3. De interacties dienen in zichzelf ook belonend te zijn. De basis is de menswaardige presentie en hoe we in relatie (dialoog) staan tot de ander (‘companionship’ als een wederzijdse afhankelijkheid). De methode is “een leerproces gericht op het ontwikkelen van companionship, waarbij gebruik wordt gemaakt van niet-overheersende middelen en methodieken”. Een uitdaging ligt in het speuren naar waar en hoe de interacties tot verdere positieve gedragsuitbreidingen leiden. Deze zgn. ‘exploratieve fase’ treedt overigens pas op na een intensieve voorwaardenscheppende fase van veiligheid en acceptatie. De afrondende integratieve fase is merkbaar wanneer de cliënt zelf het initiatief neemt tot positieve interacties. Zo tracht de benadering de autonomie en de ‘quality of life’ van de cliënt te versterken.


ID: 52
Status: actief
Naam: Greenspan - methode
Omschrijving: Zie: Floortime
Ontwikkelingsgerichte spelmethodiek door Stanley Greenspan


ID: 47
Status: actief
Naam: Growing Minds Methode
Omschrijving: Zie: Contactgericht Spelen & Leren


ID: 59
Status: actief
Naam: He kijk mij nou!
Omschrijving: Psycho-educatie aan kinderen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) die getuige zijn geweest van geweld in relaties en hun (LVB)moeder. Het hoofddoel is te voorkomen dat kinderen die getuige zijn geweest van geweld in hun thuissituatie, zelf op enig moment als pleger of slachtoffer in een nieuwe geweldsspiraal terechtkomen. De algemene doelen zijn:  Kinderen met een verstandelijke beperking, die getuige zijn geweest van huiselijk geweld, helpen hun ervaringen een plaats te geven waardoor blijvend trauma / psychische problematiek (en hoge maatschappelijke kosten) worden voorkomen.  Doorbreken van het isolement van de kinderen en van het gezin, en empowerment van deze kwetsbare groep kinderen.  Herstel van het vertrouwen tussen kind en opvoeder(s).  Opvoeders leren welke gevolgen huiselijk geweld heeft voor kinderen en hoe zij hen kunnen steunen bij het verwerken van hun ervaringen. Jaarlijks zijn naar schatting ruim honderdduizend kinderen getuige van geweld in huis. Onder deze kinderen zijn uiteraard ook moeilijk lerende kinderen/kinderen met een licht verstandelijke beperking (LVB-kinderen). Hoewel vaak wordt gedacht dat kinderen spanningen in huis niet opmerken, vormt het getuige zijn van geweld in de huiselijke kring een ernstige bedreiging voor de gezondheid en de ontwikkeling van kinderen. Zij worden geschaad in hun sociale, emotionele, lichamelijke en cognitieve ontwikkeling. Zowel op korte als op lange termijn. De schade voor de kinderen kan enigszins beperkt worden door in een vroeg stadium na het plaatsvinden van het geweld een cursus aan te bieden aan het kind en haar of zijn moeder/vader/ouders, om de onveilige hechting teniet te doen, de band tussen hen te verstevigen en daardoor de vertrouwensrelatie te herstellen. De methodiek Hé kijk mij nou! is ontwikkeld ten behoeve van deze kinderen en hun (LVB) moeders en is primair gericht op het beperken van de schade bij LVB kinderen die het getuige zijn geweest van huiselijk geweld. De methodiek is gericht op groepswerk met de kinderen en hun moeders. Delen hiervan kunnen ook gebruikt worden voor individuele hulp (psycho-educatie, steun) aan LVB kinderen als getuige van huiselijk geweld. Omdat de methodiek nog slechts in één pilot is uitgevoerd kan er niet van een uitgeteste methode worden gesproken. Omdat het belangrijk is dat er voor de doelgroep LVB-kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld en hun LVB-moeders een methodiek beschikbaar is, is ervoor gekozen om de methodiek in conceptvorm – digitaal – ter beschikking te stellen aan het veld, via een gebruikersplatform op de MOVISIE Accademie. Heeft u interesse in het werken met deze methodiek, kijk voor meer informatie op de website


ID: 30
Status: actief
Naam: Hermeneutische benadering
Omschrijving: Hermeneutiek betekent: de kunst/kunde van het uitleggen van teksten. Als methode richt men zich op het begrip krijgen van het verhaal van de ander: de mens als ‘tekst’ met een eigen taal! Daarbij gaat het om een zeer persoonlijke manier van begrijpen, die verder probeert te gaan dan een verstandelijk snappen van gedrag in termen van oorzaak en gevolg. Gedrag wordt gezien als een vorm van betekenisverlening. Ieder mens geeft op een unieke persoonlijke manier betekenis aan het leven en de wereld om zich heen. Deze betekenisverlening wil ook gedeeld worden en niet in zichzelf gesloten blijven: het levensverhaal wil gekend zijn. Deze benadering heeft van oorsprong theologische en filosofische bronnen, maar is intussen breder toegankelijk gemaakt voor begeleiding en (psycho)therapie. De hermeneutische benadering typeert gedragsproblemen vooral als interactieproblemen tussen de mens en zijn omgeving. Ofwel: er is een communicatie- of begripsprobleem, mensen begrijpen elkaar niet (meer), misverstanden: er is een ‘misverstaan’ van betekenissen. Deze benadering wil geen strikt voorgeprogrammeerde methodiek zijn! Het gaat om het hanteren van een aantal funderende regels om de ander te begrijpen, te kunnen ‘lezen’ en duidelijker te krijgen waarom er dingen mis gaan. Deze regels vormen samen een ‘bril’ van waaruit de ander in beeld komt: 1) Tekst in context: de mens is en heeft een eigen verhaal, maar juist ook in een eigen context – het ene is niet los te krijgen van het andere. Zo is de probleembeleving van de jongere zelf vaak nogal afwijkend van hoe de omgeving deze beleeft. Het begrijpen hiervan zal eerst en vooral vanuit het perspectief van de jongere moeten gebeuren. De jongere heeft een eigen belevingswereld, een eigen taal, situatie en levensgeschiedenis. Hoe geeft zij/hij daar vorm aan? Waar gaat het mis, waar ontstaat de ontwrichting (‘hermeneutische distorsie’)? 2) Archeologie: er zal intensief gespeurd moeten worden naar de scherven die de schaal vormen. D.w.z. op zoek naar de specifieke momenten en gebeurtenissen die bepalend zijn voor de verstoorde betekenisverlening. Deze momenten (‘hermen’, piketpaaltjes) vormen de verwijzers naar wat echt van belang is en biedt kansen om tot een beter begrip van de ander te komen. Hier gaat het om het verband tussen het geheel en de delen van een verhaal. 3) Beeldcommunicatie: we kunnen gebruik maken van de concrete en emotionele expressies, uitingen in alle vormen en kleuren die zichtbaar zijn. Deze dienen als bron van om de eigen taal te gaan zien: wat zien, horen en lezen we eigenlijk? Tekeningen, verhalen, gedrag – ze vormen één geheel aan betekenissen! Deze elementen vormen de kern van de zgn. hermeneutische cirkel van het begrijpen. Dat wil zeggen: een poging om tot wederzijds begrip te komen, een uitwisseling van verhalen, van ervaringen, van beelden en vormen. Dit lukt echter pas wanneer we als deelnemers bereid zijn om in de schoenen van die ander te gaan staan en het perspectief van die ander als uitgangspunt te nemen. Dit verwisselen van ‘bril’ betekent ook het verhelderen van de eigen bril! De eigen vooronderstellingen moeten niet alleen duidelijk en bereflecteerd worden, maar ook even op een zijspoor worden gezet – het is namelijk de ander die het mij mogelijk maakt tot begrip te komen en pas in 2e instantie mijn eigen visie en kleur! In deze 2e instantie spelen dan de theoretische kennis en ervaring over de ontstane problemen een rol in de interpretatie en begeleiding. NB. Een concrete toepassing van de hermeneutische cirkel is bijv. bij het in kaart brengen van de seksualiteitsbeleving van mensen met een verstandelijke beperking (Bosch & Suyckerbuyk).


ID: 46
Status: actief
Naam: Kaufmanmethode
Omschrijving: Zie: Contactgericht Spelen & Leren


ID: 6
Status: actief
Naam: Keneth
Omschrijving: Which year are you in? tretinoin cream 025 purchase Not only could robots like Linda patrol corridors for 24 hours a day, providing much more continuous surveillance than any human, but they could save nurses valuable time by performing additional tasks such as carrying messages or escorting patients to appointments.


ID: 22
Status: actief
Naam: kpugebns
Omschrijving: qenxl2 qvxcfclrxpub, [url=http://bwgmxhqprgat.com/]bwgmxhqprgat[/url], [link=http://bfxsmbivimue.com/]bfxsmbivimue[/link], http://guizoemlbyzw.com/


ID: 35
Status: actief
Naam: Lenard
Omschrijving: I'm not sure antifungal nizoral This was after the cost of childcare, commuting, workwear and work-related equipment.


ID: 56
Status: actief
Naam: Meer Mens
Omschrijving: De methode Meer Mens is ontwikkeld binnen Stichting Prisma voor de doelgroep mensen met een ernstige verstandelijke beperking, mensen met een dementie en mensen met een Niet Aangeboren Hersenletsel. Een groep cliënten die zich moeilijk kunnen uiten en over het algemeen in bijna alle dagelijkse levenshandelingen afhankelijk zijn van anderen. De methode biedt zorgverleners handvatten om deze cliënten beter te leren kennen en in de zorg en begeleiding beter aan te sluiten bij wat zij eigenlijk nodig hebben. Het doel van de methode is uiteindelijk om deze groep zeer zorgafhankelijke cliënten zo meer regie over hun eigen bestaan te geven en de kwaliteit van hun leven daarmee te verbeteren. De kern van de methode is het zorgcontact. Zorgen voor een ander betekent immers altijd ‘contact maken met die ander’. Wat voor soort zorg je ook geeft, zorgen voor een ander kan niet zonder dat contact, zonder interactie. De kwaliteit van zorg staat of valt dus met de kwaliteit van je zorgcontact. En daar gaat de methode Meer Mens over, over het optimaliseren van het zorgcontact dat jij hebt met de mensen waar je voor zorgt. Door middel van de methode, gebaseerd op de theorie van Ervaringsordening van dr. D. Timmers-Huigens en onderbouwd met een methodische manier van werken, leren medewerkers, familie en het netwerk de (complexe) hulpvraag, de wensen en mogelijkheden van de individuele mens met een beperking beter te herkennen. Ze krijgen handvatten aangereikt om daar effectief, gericht, methodisch en doelmatig bij aan te sluiten. Er wordt met name ingegaan op hoe de ondersteuning afgestemd kan worden op de ervaringsordening van de cliënt (co-regulatie). Het specifieke van de methode is dat hij stapsgewijs in het werkveld wordt geïntroduceerd, dat elke medewerker direct aan de slag gaat en stap voor stap, met ondersteuning vanuit de casemanager, komt tot een beter inzicht in de cliënt. Elke stap is weer direct in de praktijk toe te passen. Werkwijze De delen van ervaringsordening en co-regulatie worden uitgelegd waarna een profielschets wordt ingevuld. De profielschets is een belangrijk instrument om zicht te krijgen op de manier van ordenen van ervaringen van cliënten. Het begrip basisveiligheid en de factoren die hierop van invloed zijn worden uitgelegd. Voor mensen met een beperking staan een aantal van de voorwaarden voor basisveiligheid onder druk. Er wordt een lijst met aandachtspunten ingevuld als hulpmiddel om hier meer duidelijkheid in te krijgen. Een gedragsduiding wordt gemaakt, waarmee de communicatie met de desbetreffende cliënt beter wordt begrepen. Na deze stappen wordt gezamenlijk de beeldvorming vastgelegd en het perspectief vastgesteld. Binnen de methode worden drie lange termijn doelen gehanteerd: verbreding en verdieping, stabilisering en behoud en omgaan met afnemende mogelijkheden. Het werkdoel, met eventuele subdoelen, wordt vastgesteld en bij elk van de drie doelen wordt de werkwijze beschreven. Door middel van deze methodische benadering en een bijbehorend rapportagesysteem wordt zo een duidelijke beeldvorming over de eigen keuze van de cliënt, de werkdoelen en zijn/haar voorkeuren verkregen. Hierop kan men de beeldvorming gaan verdiepen door het aanbieden van activiteiten die aansluiten bij de belevingswereld van de cliënt (met cliënt bedoelen we de mens met een verstandelijke beperking, niet aangeboren hersenletsel of dementie).


ID: 4
Status: actief
Naam: Methode Heijkoop 'Anders kijken naar ...'
Omschrijving: Centraal in deze methodiek staat de term ‘anders kijken’. Dat betekent concreet kijken vanuit het perspectief van de verstandelijk gehandicapte zelf. Het doel van de methode is: haar/zijn zelfvertrouwen versterken (want probleemgedrag is verlies daarvan) en de begeleiding onderling beter afgestemd laten handelen. Het probleemgedrag is daarbij niet beperkt tot de verstandelijk gehandicapte zelf, maar is een gegeven van het hele netwerk om de betrokkene heen: we maken er allemaal deel van uit en we lopen allemaal vast! Met behulp van video-opnamen wordt de problematische situatie of het ervaren probleemgedrag ‘verzameld’ en nauwkeurig bevraagd. Dit gebeurt aan de hand van hele directe en concrete vragen over wat we zien: ‘waar staat hij? / Welke plaats neemt hij in? / Waar kijkt hij naar/ Waar luistert hij naar? / Wat doet hij met zijn handen? / Hoeveel kracht zet hij? / Welke klanken en tonen gebruikt hij? / Hoe is zijn gelaatsuitdrukking? / In welke richting kijkt hij? / Wat zegt hij eigenlijk?’ etc. Deze observatie en bevraging gebeurt in een breed teamverband van direct en deskundig betrokken disciplines en verantwoordelijken (dus: de eigen ondersteuners aangevuld met gedragskundigen, arts, psychiater, etc., als een multidisciplinair verband). Een nauwkeurige functie-analyse brengt het probleemgedrag in kaart. Stap voor stap wordt het probleemgedrag beoordeeld op mogelijke betekenissen in de concrete hier-en-nu situatie. Dat is ook de belangrijke betekenis van deze methodiek: de gerichtheid op de concrete problematiek zoals die door de omgeving wordt ervaren en waar de verstandelijk gehandicapte ook zelf in vastloopt. Heijkoop richt zich niet op de diagnostiek van de gehandicapte, maar op het scherper in beeld krijgen van het probleemgedrag in de praktijk van alledag. Deze focus is van belang om met name daardoor een beter beeld te krijgen van hoe wij als begeleiders handelen rondom het probleemgedrag. Dat maakt de methodiek ook tot een interactief proces dat verder kijkt dan een versimpeling in ‘oorzaak-gevolg’. Hij werkt dit concreet uit in verschillende onderdelen: 1) een beeld krijgen van de spannings-niveau’s; 2) het probleemgedrag als versterker van zichzelf (spiraalwerking); en 3) vier kernpunten voor de persoon zelf: vertrouwen, invloed op de omgeving, leren omgaan met probleemgedrag en emotioneel evenwicht. Deze vier gebieden vormen de basis voor een behandelplan. Een verbijzondering vindt plaats bij escalaties (incidenten), waarbij het proces van de escalatie zelf ook in beeld komt: fase 1: aanloop / fase 2: probleemgedrag / fase 3: herstel. Heijkoop biedt hiervoor een aantal handvatten.


ID: 49
Status: actief
Naam: Mobility Opportunities Via Education (MOVE)
Omschrijving: Zitten, staan, lopen vormen de funderende motorische vaardigheden die aan de basis liggen van deze methodiek. De nadrukkelijk bewegingsgerichte methode is bedoeld voor kinderen en jongeren met ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen (EVMB). In zes stappen wordt gewerkt aan basisvaardigheden met als grootste doel de zelfstandigheid te vergroten, cq. de afhankelijkheid van ondersteuning te verminderen. Dit wordt concreet gemaakt op alledaagse activiteiten: kinderen worden stapsgewijs gestimuleerd om die activiteiten die in hun eigen belang zijn zichzelf eigen te maken. Dan gaat het om eten, drinken, spel en communicatie. De methode past in een ecologisch model van ondersteuning: de training moet gebeuren in de alledaagse situatie zelf (dagcentrum, woning, vrije-tijd-activiteiten). De training is intensief (gedetailleerd), omvat veel herhalingen en vraagt veel geduld, met ervaringen van succes en terugval. De ontwikkeling begon rond de jaren 1980-90, door Linda Bidabe en Kelly Blanton in Amerika, op basis van persoonlijke ervaringen, geconfronteerd met de beperkingen als uitdaging. Elke verbetering is er dan één, en het versterken van de leerprocessen bij kinderen met EVMB ligt niet aan hen, ‘maar aan onze manier van trainen en onderwijzen’. Mission statement: ‘het geloof dat de mogelijkheid tot bewegen de eerste funderende steen is in de opbouw van persoonlijke waardigheid’. Ze stellen als effecten van MOVE, dat door de verbetering van de motorische vaardigheden, ook de communicatie, interactie met de omgeving, en de zelfwaarde verbeteren. Het onderzoek van Van der Putten bevestigt dit slechts gedeeltelijk. Dat komt omdat het accent bijna uitsluitend ligt op de motorische vaardigheiden. De methode is systematisch opgebouwd, gebruikt een eigen ontwikkelde test voor motorische- of bewegingsvaardigheden en hanteert aan de hand van taakanalyses* concrete doelstellingen die met behulp van een ‘Prompt Reduction Plan (PRP) in een leertraject worden vastgelegd. Dit PRP wijst op de mate van ondersteuning (support) die per stap nodig is en langzaam dient te worden afgebouwd. Het uiteindelijke doel is dan de zelfstandig uit te voeren taak. In de uitvoering moet van meet af ook duidelijk rekening worden gehouden met de veiligheidsaspecten die bij elke stap een rol spelen. Uiteindelijk wordt ook gezocht naar mogelijkheden om minder afhankelijk te zijn van aanvullende hulpmiddelen als sta- of loopplank e.d. De activiteitsgerichtheid is een groot pre van deze methode en vereist teamwork!
Vergelijkbaar met de door Karl en Berta Bobath ontwikkelde NDT methode, of de door Kobat, Knott en Voss bekende proprioreceptieve neuromusculaire faciliteringsbenadering (PNF).


ID: 50
Status: actief
Naam: Omgaan met Verzet
Omschrijving: Drs. H. van Dartel heeft in opdracht van de VGN heeft een handleiding uitgebracht over omgaan met verzet. Het handboek bestaat uit 2 delen. Een inhoudelijk theoretische handreiking (een adviesnota) over ‘goede zorg bij verzet’, die rekening houdt met de diversiteit aan regelgeving, en een DVD met handleiding, waarop 15, samen met cliënten, begeleiders en acteurs uitgespeelde scènes als voorbeelden. Het belangrijke van deze – door een ethicus samengestelde – benadering is dat verzet gezien wordt als een vorm van communicatief gedrag. Daarbij ligt het accent op de kleinere minder opvallende vormen van verzet, in tegenstelling tot de grovere en meer bekende grensoverschrijdende vormen, die vaak leiden tot maatregelen (vrijheidsbeperkingen). Het doel van deze benadering is de bezinning en gesprek op gang te brengen om het gedrag adequaat te kunnen lezen, of interpreteren en de omgang er mee te verbeteren. Het kan ook leiden tot beleidsontwikkelingen binnen de volle breedte van een organisatie. Verzet, juist het alledaagse, vraagt ‘systematische aandacht’. Deze krijgt op 3 manieren vorm: specifiek waarnemen en interpreteren; kiezen voor een passende reactievorm; beoordeling of deze reactievorm ‘moreel goed’ is. Dartel kiest als uitgangspunt dan ook de ‘vraag naar wat goede zorg is’, in plaats van ‘wat het juiste is om te doen’. De 2e vraag kan pas moreel juist worden beantwoordt, als de eerste is gewogen. Het eerste en grootste deel van de handleiding bestaat uit vijf hoofdstukken, waarin de volgende thema’s aan de orde komen: 1) proces van omgaan met verzet, instellingsbeleid (verantwoordelijkheden en vrijheidsbeperkende maatregelen). Het hoofdstuk inventariseert de bestaande regelgeving en geeft een duidelijke praktijkgerichte ethische invalshoek: het inzetten van het reflectieve gesprek om de praktijk te kunnen structureren en faciliteren. De vragen wat verzet is en waar de grenzen liggen komt in hoofdstuk 2) nadrukkelijk terug. Verzet is ‘de tegenstand die een cliënt of bewoner actueel toont tegen een hem/haar betreffende vorm van zorg en/of behandeling omdat die door hem/haar ervaren wordt als niet juiste vorm van machtsuitoefening’. De volgende 3 hoofdstukken doorlopen de drie belangrijkste kernpunten van de kern van de handleiding: het reflectieve gesprek: observeren / interpreteren – reactiemogelijkheden – morele inkadering van de reactievormen. Alhoewel er veel regelgeving en wettelijke kaders in de handleiding zijn terug te vinden, is er een geen juridische insteek gekozen – daarmee zou men, aldus Dartel, aan het doel van de benadering voorbij schieten. De DVD biedt door de concrete scènes de mogelijkheden om het gesprek te bevorderen: het reflectieve gesprek krijgt zo handen en voeten om als begeleiders en alle betrokkenen in gesprek te gaan ‘over het omgaan met alledaagse uitingen van verzet in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking’. De scènes worden voorafgegaan door een serie tips. Een aantal vragen helpt: ‘hoe gaan we als individuele begeleiders om met tegenstand en verzet van onze cliënten/bewoners? Op wat voor manier beoordelen wij hun gedrag? Herkennen we verzet als verzet? Hoe gaan we om met kritische geluiden van hun vertegenwoordigers? Welke alternatieven zijn er? Waarom is de ene manier beter dan de andere? Welke lijn zetten we voortaan uit?’ e.d. Er is een aantal tips die vanzelfsprekend zijn, maar toch goed worden uitgewerkt. Een van de belangrijkste tips: ga het gesprek aan onder gunstige condities! D.w.z. liever niet direct bij onrust en het doel: verbetering van de zorg, dient centraal te staan! Er moet dus vanuit de concrete praktijk een verbinding liggen met beleid: concrete leerpunten moeten worden vastgelegd. Het geheel kan overigens ook als een totaalpakket worden opgenomen om binnen instellingen tot concreet ethisch toepasbaar beleid te komen.


ID: 62
Status: actief
Naam: Op Eigen Benen
Omschrijving: Leermethodiek ‘Op Eigen Benen’ (samenvatting) De leermethode ‘Op Eigen Benen’ is een methode waarbij de focus is gericht op de bij mensen zelf aanwezige krachten, aanleg en talenten. Het is een vorm van positieve psychologie waarbij de aandacht wordt gericht op de sterke kanten van de mens. Uitgangspunten (waarden) voor de methode zijn gelijkwaardigheid, respect, optimisme, hoop, vertrouwen en de erkenning van de eigenheid van ieder mens. Maak mensen niet afhankelijk maar breng hun eigen innerlijke drive op gang waarmee zij zichzelf gaan helpen! ‘Op Eigen Benen’ activeert die innerlijke drive. Ze geeft mensen inzicht in eigen aanwezige competenties en leert vaardigheden aan waarbij zij onderzoekt en aansluit bij datgene waar mensen goed in zijn. De manier waarop in onze samenleving mensen (met een stoornis of beperking) worden benaderd of hoe wij tegenover ze staan bepaalt in belangrijke mate hun afhankelijkheid, dan wel zelfstandigheid. Op Eigen Benen is een methode die bij een vraag of een probleem van de ander een stap terug doet en de ander ruimte biedt om zelf na te denken over een aanpak van een taak of de oplossing voor een probleem. Deze stap terug betekent dat wanneer de ander niet in staat is zelf een oplossing of een aanpak te bedenken er vanuit de methode bijgedragen wordt aan een richting van de oplossing. De oplossing wordt niet gegeven en het probleem wordt niet door de trainer van de methodiek aangepakt. De trainer van de methodiek treedt op als een mediator die de deelnemer op een eigen denkspoor zet. Bruikbare inzichten en technieken op dit gebied zijn o.a. afkomstig uit de Feuersteinmethode en de positieve psychologie. Beiden staan voor een ontwikkelingsgerichte begeleiding. Uit ervaring blijkt dat mensen groeien in zelfstandigheid wanneer gewerkt wordt aan het vergroten van het eigen oplossend vermogen en wanneer zij coping vaardigheden ontwikkelen. Zij blijken meer en beter in staat om nieuwe taken aan te gaan of hun eigen problemen op te lossen. Ze krijgen een betere zelfwaardering en meer vertrouwen in zichzelf. Met andere woorden ze ontwikkelen eigenwaarde. Vanuit het gedachtegoed van de methodiek wordt nooit zonder meer instructie gegeven, eerst wordt gekeken naar al aanwezige vaardigheden en competenties, het opdoen van succeservaringen en wordt de eigen kracht aangewend en benut. Er wordt competentiegericht gewerkt, met voortdurende aandacht voor de balans tussen taken en vaardigheden. In het leerproces wordt intentionaliteit, wederkerigheid, vertrouwen en zingeving gezien als hoge waarden. Op Eigen Benen is niet alleen een manier om bij mensen de competenties te vergroten, het zet ook aan tot zelfsturing, zelf denken en zelfontplooiing. Ieder mens vervult verschillende sociale rollen in het leven, welke rollen en hoeveel verschilt per persoon. Binnen de methodiek Op Eigen Benen wordt ook aandacht besteed aan de aanwezigheid van sociale rollen in het leven van mensen. In sociale rollen kunnen mensen van betekenis zijn voor elkaar. Het vervullen van sociale rollen dragen bij aan geluk, het geluk dat tevredenheid en een goed gevoel teweegbrengt, dat positieve en voedende invloed heeft op je gevoel van eigenwaarde.


ID: 55
Status: actief
Naam: Oplossingsgericht werken
Omschrijving: Een vanuit Amerika ontwikkelde methode (SFT: Solution Focused Therapy). Vanaf de jaren tachtig (Berg, Shazer e.a.) vooral uit weerstand tegen bestaande psychotherapie, wordt daarbij ‘gefocussed op de manieren waarop mensen oplossingen vinden’. De oorsprong ligt in communicatie- en systeemtheorieën en (cognitieve) gedragstherapie (M.H. Erikson, J. Haley e.a.). Dat betekent o.a. dat de problemen niet meer vanuit de beperking van het probleem gezien worden, maar dat primair, concreet en praktisch gekeken wordt naar hoe mensen eigenlijk doorgaans problemen oplossen en wat ze zelf aan mogelijkheden en vaardigheden hebben. Er is ‘een fundamenteel verschil tussen het denken en handelen gericht op het oplossen van problemen en dat wat gericht is op het uitwerken van oplossingen’. Mensen hebben zelf hun hulpbronnen. Voor zover deze mochten ontbreken, hebben mensen wellicht de mogelijkheid om deze te vergroten of te versterken, dan wel de situatie op een oplossingsgerichte manier tegemoet te treden. Zo ligt alle aandacht bij de cliënt zelf. De behandelaar of begeleider heeft tot taak om deze aandacht goed vorm te geven en concreet te helpen focussen op de oplossing. Dat gebeurt stapsgewijze en met behulp van een arsenaal (1001!) oplossingsgerichte vragen. Deze werken als ‘schouderklopjes en hints’. De behandelaar is ‘gids met een focus op de toekomst’! Het type vraag wordt bepaald door de verschillende elementen die een rol spelen in het therapeutisch proces. De vooral tot nu toe gespreksgeoriënteerde benadering kent een zestal type vragen: ‘naar verandering vóór het eerste gesprek; naar uitzonderingen; naar het doel; naar ‘En wat nog meer?’; schaalvragen; naar competenties’. Een kernvraag is de zgn. ‘wondervraag’: Wat zou er anders zijn wanneer je morgenochtend opstaat en alle problemen zijn opgelost? Het helpt daarbij rekening te houden met degene aan wie je vragen stelt. Daartoe hanteren Roeden c.s. een driedeling in ‘bezoeker, klager en klant’. Naast de verbaal gerichte accenten, die ook voor LVG wordt aangepast, wijst men op alternatieve vormen van oplossingsgericht werken: verhalen, drama, rollenspel, werken met dieren, tekeningen, muziek, video, e.d.! In het handboek wijzen Roeden en Bannink op noodzakelijk (meer evidence based) onderzoek en aanvullende informatie. Daarbij houden ze rekening met hoe de methode voor teams bruikbaar is (vgl. MAM: meta analyse model), mogelijke contra-indicatie (ASS?) en vergelijkingen met andere vormen van behandelingen / benaderingen.


ID: 45
Status: actief
Naam: Option-methode
Omschrijving: Zie: Contactgericht Spelen & Leren


ID: 58
Status: actief
Naam: Orthopedagogisch Methodiekmodel Bruininks (OMB)
Omschrijving: Het Orthopedagogisch Methodiekmodel Bruininks is een instrument waarmee lijn aangebracht kan worden in de werkwijze op en rondom (leef)groepen. Dit omvat opvang, zorg, begeleiding en/of behandeling met als doel het realiseren van een professionele, kwalitatieve en effectieve methodiek. Onder een methodiek wordt een complete werkwijze op en rondom een (leef)groep verstaan, inclusief theorie(en), methode(n) en technieken plus uitgangspunten, visies en doelen die toepasbaar is bij een specifieke doelgroep. Het OMB is voor iedere willekeurige doelgroep bruikbaar. Het model bestaat uit vier delen: 1. Overallvisie. 2. Organisatorische gegevenheden. 3. Basisaanpak. 4. Ondersteunende aanpak. De overallvisie is de visie die uitspraken doet over hoe en op grond waarvan gekeken wordt naar de doelgroep en daarmee tegelijkertijd over de opvang, zorg, begeleiding of behandeling die zij daarom nodig heeft. De overallvisie geeft richting aan de inhoud van de basisaanpak (dat wat in de (leef)groep gebeurt), en de ondersteunende aanpak (dat wat rondom de (leef)groep aan ondersteuning en ter aanvulling aanwezig is). De overallvisie bestaat uit: doelgroepinventarisatie, praktijktheoretische uitgangspunten, doelgroepdefinitie en methodiekdoelen dat kan worden uitgewerkt m.b.v. een handleiding. De organisatorische gegevenheden geven aan welke middelen beschikbaar zijn en op welke wijze deze kunnen en mogen worden ingezet om de overallvisie in de dagelijkse praktijk te concretiseren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ‘externe- en ‘interne gegevenheden’ dat kan worden uitgewerkt m.b.v. een handleiding. De basisaanpak (BA) is datgene wat aan zorg in de (leef)groep wordt geboden en bestaat uit een gemeenschappelijkgericht en individugericht deel. De basisaanpak bestaat uit 18 begrippen die deel uitmaken van drie hoofdgroepen: ‘klimaat creëren’, ‘situaties hanteren’ en ‘relatie presenteren’. Van ieder begrip bestaat er een werkblad dat kan worden uitgewerkt in vijf stappen: ‘visie’, ‘aanpak’, ‘teamafspraken’, ‘voorwaarden’ en ‘actie’. De ondersteunende aanpak (OA) is datgene wat ter ondersteuning en ter aanvulling van de basisaanpak rondom de (leef)groep wordt geboden en bestaat uit een gemeenschappelijkgericht en individugericht deel. De samenwerking tussen degenen die de basisaanpak aanbieden en de ondersteuners kan worden uitgewerkt in vijf stappen: ‘visie’, ‘aanpak’, ‘teamafspraken’, ‘voorwaarden’ en ‘actie’ m.b.v. een handleiding. Het model maakt in de BA en OA onderscheid tussen doelgroep- en cliënt gebonden denken en handelen. Beiden bestaan uit een gemeenschappelijk gericht deel en een individugericht deel. Het gemeenschappelijk gerichte deel wordt ingevuld op basis van wat de doelgroep gemeenschappelijk nodig heeft: het beantwoord de hulpvragen die de cliënten uit de doelgroep gemeenschappelijk hebben. De hulpvragen die cliënten daar bovenop nog individueel hebben, worden beantwoord in het individugerichte deel door specifieke afspraken te maken in bijvoorbeeld zorgplannen. Doordat de methodiek niet gekoppeld is aan aanwezig personeel of cliënten, maar aan de locatie en de doelgroep, levert zij een stabiele basis waarop kan worden gebouwd en waarmee ook toekomstige cliënten geholpen kunnen worden. Het model verbindt theorie, professioneel handelen en de alledaagse praktijk. Het heeft vooral methodische aandacht voor het alledaagse leven. Het professionele handelen richt zich op het klimaat, alledaagse situaties en relaties die daar tot stand komen. Kennis van stoornissen die cliënten (kunnen) hebben is daarbij wel richtinggevend, maar zij krijgen niet alleen therapeutische en klinische aandacht. Het OMB is toetsbaar op kwaliteit en effect. In het model passen alle kennis, inzichten en vaardigheden die in trainingen, wetenschappelijke studies, opleidingen en de praktijk zijn opgedaan en zorgt ook voor inbedding van scholing- en evaluatieprogramma’s als competentiegerichte hulpverlening en management, systeemgericht en/of vraaggericht werken. Het model is geïnspireerd door de orthopedagogische theorie 'Specifiek opvoeden' van Prof. dr. J.F.W. Kok, is in 1995 ontstaan en door de jaren heen op basis van praktijkervaringen uitgegroeid tot een volledig model. Hoewel het model in eerste instantie ontwikkeld is voor residentieel groepswerk, blijkt ze ook goed bruikbaar in de semiresidentiële, ambulante- en onderwijssector als in de kinderopvang. Bruikbaar als instrument waarmee in gezamenlijkheid gewerkt wordt aan de kwaliteit van zorg, opvang, begeleiding en behandeling. Doordat het model inzetbaar is op groepsniveau, divisie/afdeling- en instellingsniveau kan een organisatie komen tot een coherent zorgaanbod. Naast methodiekontwikkeling kent het model meerdere toepassingsmogelijkheden, namelijk: methodiekbeschrijving, methodiekverbetering, visie- en aanpak formulering, ouder- en cliëntparticipatie, teambuilding, probleemanalyse en oplossing, toetsing en verbetering van bestaand zorgaanbod alsook cliënt- en doelgroepgebonden denken, handelen en vergaderen.


ID: 14
Status: actief
Naam: PAD, Programma Alternatieve Denkstrategieen
Omschrijving: Een in oorsprong voor auditieve beperkingen ontworpen benadering (Mark Greenberg, jaren tachtig, USA), op basis van een leertheoretische benadering. De kracht ervan ligt in het hanteren van conflicten en oplopende en moeilijk controleerbare emoties door het zichzelf d.m.v. denkoefeningen aanleren van alternatieven. Daarnaast staan doelen als: versterking van zelfcontrole, eigenwaarde, sociaal inzicht, motivatie. De onderliggende theorie wijst op de samenhang van cognities, emoties en communicatief gedrag. Emoties gaan aan het gedrag vooraf. Dat betekent dat het kind aanvankelijk ongeremd, primair reageert. Naarmate kinderen ouder worden en taal gaat hanteren, krijgt taal een eigen functie in dit proces: achteraf, als verklaring van wat er gebeurd is, en vervolgens als verwachting van dat wat er gaat gebeuren (waardoor angstbeelden ontstaan). We ontwikkelen allemaal een vorm van ‘selftalk’: ons innerlijk gesprek met onszelf en de daaraan gerelateerde emoties en mate van zelfwaardering. PAD richt zich op het beter onder controle krijgen en mogelijk begrijpen van wat kinderen zelf ‘denken’, of tegen zichzelf zeggen. Alle emoties zijn daarvoor bruikbaar en worden geaccepteerd, terwijl juist niet alle gedrag acceptabel is! De denkoefening richt zich op het bedenken van communicatie- en gedragsalternatieven voor de ervaren emoties, spanningen of conflicten. Het denkproces zelf is hierbij van groter belang dan de feitelijke bedachte oplossing. Daar ligt ook het accent in de ondersteuning van de kinderen. Het is dan de bedoeling dat de denkoefening ook uitgevoerd kan worden in andere situaties (transfer). PAD werkt methodisch aan: 1. Zelfcontrole; 2. Begrip van emoties en waardering van emoties; 3. Probleemoplossing; 4. Positief zelfbeeld; 5. Sociale vaardigheden. Deze doelen volgen elkaar – als het goed is – ook op. De meest in het oog springende invalshoek is het verhaal van de “schildpad”: een klein schildpadje komt steeds in moeilijkheden omdat het vergeet na te denken – een grote wijze schildpad geeft dan uitkomst: het leren jezelf beheersen door in je schild (schulp) te kruipen! Dat betekent: eerst in jezelf nadenken, en dan naar buiten komen en doen wat je bedacht hebt! Afhankelijk van de leeftijd van de kinderen kunnen concrete dingen worden bedacht om ‘in jezelf te kruipen’: een rode kaart laten zien; allebei je handen in je zakken steken; je vuisten stevig op je rug bij elkaar vasthouden en minstens tot 10 tellen; even omdraaien, een ‘time-out’ nemen. Om dit te versterken kan er ook een apart signaal worden afgesproken om te ‘schildpadden’, zodat de leerkracht dit ook kan aangeven wanneer de situatie er om vraagt. Naast dit ‘schildpadden’ wordt er gewerkt met de ‘Stop, denk na, doe’-structuur. Dit wordt door een stoplicht aangegeven. Bij rood: terugtrekken in jezelf en gaan nadenken. Het leren begrijpen van emoties gebeurt met schema’s en emotie-kaarten(picto’s) die aan de hand van situatie-gesprekjes concreet worden ingevuld. Vanuit Rood ontstaat Oranje: bedenken wat te doen is! Vanuit Oranje naar Groen: uitvoeren wat bedacht is! Dit alles wordt bij oefeningen en na concrete situaties geëvalueerd. Het positief waarderen van elke afzonderlijke stap van het kind tenslotte, bevorderd de positieve zelfwaardering.


ID: 57
Status: actief
Naam: PGA: Pijngedragsanalyse
Omschrijving: De PGA heeft als doel ondersteuners in de praktijk een hanteerbaar instrument te bieden om zo objectief mogelijk pijn vast te stellen bij mensen die dit zelf onvoldoende zelf in woorden of geschreven taal duidelijk kunnen maken. Het instrument is opgebouwd uit een twee aandachtsgebieden: het pijnprofiel en het pijnbestrijdingsplan. De aandachtsgebieden worden ondersteund door concrete observatielijsten (OCIP, als checklist, en OSP, als observatieschema). Het pijnprofiel bestaat uit een vragenformulier en checklist, terwijl het pijnbestrijdingsplan een anamnese (vast aantal vragen) omvat, een gestandaardiseerd plan van aanpak en een evaluatie. Zo wordt een gesystematiseerd overzicht gevormd van pijnervaringen, in de diversiteit van pijnbelevingen, en een structurering van de ondersteuning die ook geobjectiveerd wordt geëvalueerd. Het PGA is ontwikkelt vanuit Stichting Fatima in Nieuw Wehl, door C.G.M. Ketels en I. Bennink. Zij sluiten aan bij de wens om voor mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking op het punt van pijnbeleving meer zicht te krijgen en meer mogelijkheden om tot een objectievere benadering daarvan te komen. Pijn is primair een subjectieve persoonlijke beleving. Het is daarom moeilijker om tot een interpretatie van pijnbeleving te komen bij mensen met een verstandelijke beperking, juist wanneer zij kwetsbaarder zijn en vaker met gezondheidsproblemen kampen. Zij zijn afhankelijk van hun omgeving in hoeverre deze in staat is het gedrag in de meest brede zin ‘te lezen’ als pijn.


ID: 26
Status: actief
Naam: Realiteits Oriëntatie Training (ROT)
Omschrijving: Een trainingsmethodiek, ontwikkelt voor psychiatrische patiënten in de jaren vijftig (USA), waarin het accent ligt op een ‘stimulerende omgeving’. Daarin wordt van een aantal structurele en vaste terugkerende elementen uit de werkelijkheid voortdurend informatie verstrekt, m.n. over tijd, plaats en personen. De betrokkene wordt zo a.h.w. bij het hier-en-nu gehouden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van verwijzers (ROT-borden): dagschema’s, maand- en jaaroverzichten en programma’s, wegwijzers in de ruimten, wie wanneer waar (iemand maakt zich bijv. steeds bekend en verwijst standaard naar de laatste keer dat men elkaar gezien heeft). Dit betekent een 24-uursbenadering van alle mensen om de betrokkene heen, in een continue activeren van de cognitieve functies: waarnemen, aandacht, geheugen, concentratie, expressie. Dit gebeurt in de alledaagse praktijk met korte duidelijke boodschappen, herhaling, corrigeren. Dit is geen onomstreden methode en heeft in latere stadia van dementie geen positieve functie meer. Daarnaast bestaan er afzonderlijke ROT voor groepen, waarin deze functies met behulp van opdrachten worden versterkt. Daarbij hoort ook het consequent corrigeren van inadequate uitspraken of handelingen. Binnen de groepen kan nog een variatie in diepgang worden aangebracht, te beginnen op direct concreet niveau. Vanuit het beeld van demente oudere, dan wel verwarde mensen is de ROT een mogelijkheid om het contact met de alledaagse werkelijkheid te behouden of te hervinden. Bijna vanzelfsprekend wordt zo niet alleen de afhankelijkheid minder sterk en voelt men zich zekerder of minder angstig, maar gaan ondersteuners nauwkeuriger en met meer individuele aandacht om met de betrokkene. Dit komt mede omdat deze training concreet taakgericht is georiënteerd. Deze werkwijze is echter veeleisend: flexibiliteit, geduld, inzet, inlevingsvermogen, een constante actieve instelling. Gezien de concreetheid van werken met gebruikmaking van verwijzers en een activerende attitude zou de ROT een breder toepassingsgebied kunnen hebben dan de ouderenzorg.


ID: 25
Status: actief
Naam: Sociale Vaardigheidstraining (SoVa)
Omschrijving: Vergelijkbaar met assertiviteit- en weerbaarheidstrainingen, is ook de SoVa een concrete training in sociale vaardigheden en zijn er verschillende toepassingen. De basis ligt in de bekende Goldsteintrainingen. SoVa-trainingen richten zich op het normale sociale verkeer. Bij mensen met een verstandelijke beperking kunnen zich op dit gebied concrete communicatieproblemen voordoen. Het nadeel van ‘aparte’ trainingen is echter, dat wat in de ene trainingssituatie geleerd wordt, niet automatisch gegeneraliseerd wordt naar het alledaagse leven. Daar dient dan ook uitdrukkelijk aandacht voor te zijn. Elke training vraagt om een concrete transfer van training naar de eigen leefsituatie. Er zijn ook trainingen die direct in het alledaagse leven worden ingeoefend: daar waar het gedrag concreet aan de orde en nodig is. Het kan in de trainingen gaan om allerlei uiteenlopende aspecten van het sociale functioneren: het leggen van een contact met een onbekende, of wat te doen als een onbekende je aanspreekt; het doen van boodschappen; het stellen van een vraag; het gebruik maken van het openbaar vervoer; het organiseren van een eigen verjaardag, etc. Soms wordt ook individueel bekeken wat de vragen zijn waar mensen in vastlopen om in de training mee te nemen. Zo wordt ook aandacht besteed aan elementen die de weerbaarheid van de betrokkene kan versterken: meer eigen inbreng in een groep, het beter kunnen vertellen wat je zelf vindt, duidelijker weten wat je wel en niet wil, het beter kunnen aangeven wat je wel of niet wil. Het kan ook gaan om het leren herkennen van emoties of hoe je je voelt, en dat ook bij anderen kunnen zien en daarover iets vertellen, vragen of zeggen. Het kan ook gaan over conflicten of ruzies en wat je dan kunt doen. De SoVa kan ook als start van een assertiviteitstraining* worden gezien, die deze laatste elementen nadrukkelijker naar voren brengt. Een belangrijk punt daarbij is hoe iemand zichzelf beleefd en wat daarvan bekend is – een goede afstemming met hen die dagelijks werken met de betrokkene is dus van groot belang! Vanuit de relatie- en /of seksualiteitsbeleving komen ook specifieke aandachtspunten naar voren. Het versterken van de eigen weerbaarheid is dan een concrete doelstelling (het ‘ja’ of ‘neen’ leren zeggen). In de inzet of toepassing van trainingen moet uitdrukkelijk rekening worden gehouden met het niveau van de verstandelijke beperking en een meer specifieke problematiek, zoals een autisme spectrum stoornis, die om een meer specifieke benadering vraagt. Ook de SoVa kent de bekende werkwijzen als rollenspel, oefeningen in een werkboek, huiswerkopdrachten e.d., naast de praktijkoefeningen, zoals het in een winkel vragen waar iets staat, het aanspreken van iemand op straat (of aangesproken worden), of het gebruik gaan maken van de bus, of het uit de situatie stappen als er een conflict is, e.d. Er bestaan naast SoVa en aansluitende weerbaarheidstrainingen ook vormen van sociotherapie, die op een intensievere wijze ook groepsgericht werken aan de kernelementen van het socialisatieproces: identiteitsbewustzijn en een adequaat kunnen communiceren binnen de eigen sociale systemen van de betrokkene. Op dit moment is niet duidelijk of en waar deze voor mensen met een verstandelijke beperking worden ingezet.


ID: 44
Status: actief
Naam: Son-Rise Methode
Omschrijving: zie: Contactgericht Spelen & Leren


ID: 8
Status: actief
Naam: Stoplichtmethode
Omschrijving: Een methode om de zelfcontrole te vergroten. (zie: Zelf Instructie Training). Het model van het stoplicht, met de lichten groen, oranje, rood, wordt gebruikt om een bepaalde stemming of keuze aan te geven: Groen licht: het gaat goed, ik kan zelf een keuze maken: “Groen: ik weet wat ik moet doen”. Hier is sprake van ‘we kunnen gewoon verder’, of: de betrokkene is voldoende in staat om zelf verder te kunnen! Oranje licht: de betrokkene voelt zich onzeker, gespannen, geïrriteerd, bozig, angstig, en moet opletten in wat hij kiest: het gaat niet vanzelf, dat betekent: stoppen nu het nog kan en eerst even rustig proberen na te denken: even stil staan, of gaan zitten: “Oranje, wat kan je?” Rood licht: de betrokkene heeft het gevoel dat zij/hij elke controle verloren is: is heel erg boos, of erg verdrietig, of erg bang en kan niet meer voor zichzelf opkomen: nu moet ik hulp gaan halen: direct stoppen, niet meer gaan zitten om na te denken, maar direct hulp gaan halen: “Rood, ik ben in nood”. Deze methode kan op verschillende momenten een rol spelen, bijvoorbeeld binnen een vorm van agressiepyramide. Daarnaast wordt een stoplicht als observatiemodel gebruikt om bepaald gedrag in kaart te brengen: rood als grensoverschrijdend, oranje als alarmgedrag en groen als het goed hanteerbare gedrag.


ID: 40
Status: actief
Naam: TA: Transactionele Analyse
Omschrijving: In de ondersteuning van mensen met een verstandelijke beperking is de rond 1960 door Eric Berne ontwikkelde Transactionele Analyse een goede aanvulling. Hij typeert de menselijke manieren van zichzelf presenteren op drie belangrijke vormen: die als ouder (O), als volwassene (V) en als kind (K). Van elke vorm typeert hij de kenmerken en het belang van het je bewust worden in welke positie je jezelf bevindt. Deze positie noemt hij de ‘egopositie’. Dit zijn dus geen ‘rollen’ die we spelen, maar vormen van hoe we onszelf vanuit onze eigenheid presenteren. O: de positie zoals je die van je ouders hebt eigengemaakt, en die je uitlokt tot bijv. vaderlijk of moederlijk denken en handelen, cq. p/maternalistische vormen. V: de egopositie waarin je je op een gelijkwaardige manier opstelt tegenover de ander, niet er boven, niet er onder, en je denkt en handelt vanuit een emotioneel en rationele balans. K: je bevindt je in een egopositie waarin je je afhankelijk weet van anderen, uitgedaagd voelt, je in de ander een meerdere ervaart, etc. Onwillekeurig nemen we steeds wel een van deze posities in. Dat betekent ook dat we de ander ook in een bepaalde positie benaderen. Berne heeft een groot accent gelegd op groepsbenaderingen. Daarin komt de dynamiek van TA ten volle tot uitdrukking en ontstaat er een eigen relationeel patroon van denken en handelen waarin je het risico loopt om en jezelf en de ander klem te zetten. De meest gewenste benadering van volwassenen onder elkaar is die van gelijkwaardigheid, dus als V. Dit lukt niet vanzelfsprekend! Dat komt ook omdat we deze egoposities zich op een eigen unieke wijze (eigen levensscript) in ons leven ontwikkelt hebben en stevig opgeslagen hebben in ons geheugen. Deze posities ontwikkelen zich op basis van hun eigen behoefte. Dat maakt het lastig om de posities ook te onderkennen bij jezelf. Je benadert ook de ander in een bepaalde positie, of spreekt haar/hem daarop aan: je benadert de ander als ouder/volwassene/kind. Voor de mensen met een verstandelijke beperking is dat wezenlijk: zij staan in een eigen egopositie in de werkelijkheid. Zeker wanneer de sociaal-emotionele ontwikkeling zich in de eerste levensmaanden bevindt, is hun egopositie K. Wanneer de ondersteuners hen in plaats van K benaderen in hun O of V worden zij hierin overvraagd. De ondersteuner is voor deze betrokkene ook eerder een O dan een V, en zeker geen K. Het je realiseren van deze posities is dus van groot belang. Het wordt nog eens lastiger wanneer we in onze eigen beleving onze interne dialoog voeren tussen onze egoposities: mijn O en V en K communiceren onderling op grond van de verschillende ervaringen die ik heb opgedaan en die ik geneigd ben ook op anderen te projecteren. Het begrip Transactionele Analyse hangt samen met de transactie (de concrete en directe communicatie/handeling) die voortdurend plaats vindt tussen mensen. De analyse richt zich dan op het onderzoek naar de betekenis, of metacommunicatie, in deze transactie. Het helpt vervolgens om de juiste egopositie in te kunnen nemen t.o.v. de ander. Het doel van de TA is in algemene zin het versterken van de autonomie van iedere betrokkene in de communicatie. Autonoom denken en handelen is vooral merkbaar in het hier en nu. Dat maakt de toepassing concreet en direct.


ID: 9
Status: actief
Naam: TEACCH
Omschrijving: Een specifiek op autisme spectrum stoornissen afgestemde methodiek. TEACCH staat voor “Treatment and Education of Autistic and related Communication handicapped Children”. De methodiek is opgebouwd in een zestal stappen, waarvan de 1e: het introduceren, het vertrouwd raken met de thematiek van autisme, de kern vormt. De 6 stappen: 1. Wat autisme is en het vertrouwd raken met een werkelijkheid die eigenlijk niet invoelbaar is; 2. Het concreet en duidelijk vaststellen wat bij dit ene kind (dus verbijzondering) aan mogelijkheden zichtbaar zijn; 3. Het realiseren van aansluitende (dag)schema’s, ritmes, ordening/structuur voor dit ene kind; 4. De ondersteuners duidelijk maken wat ze aan kunnen treffen en hoe daar mee om te gaan, ook hier weer aansluitend bij de leefwereld van dit kind; 5. Het concreet structureren van afspraken, verantwoordelijkheden, praktische taken, (werk)schema’s en rollen; 6. Het gebruik maken van de bijzondere interessen van de cliënten zelf. Centraal is de gedachte dat voor elke persoon met ASS-problematiek een afzonderlijke ondersteuningswijze kan worden gevonden, zonder de betrokkene vast te leggen in kant-en-klare structuren en (picto-)systemen. Zo helpt TEACCH in zelfverwerkelijking. De zes stappen krijgen vorm in drie te onderscheiden fasen: 1.Het bieden van maximale veiligheid als basis – heeft gevolgen voor ruimte, tijd, plaats en mate van concrete aanwezigheid en ondersteuning. 2.Dat wat de cliënt geleerd heeft wordt stukje bij beetje uitgebreid naar aansluitende ruimten binnen de setting. 3.Dat wat de cliënt in de ene setting heeft geleerd, uitbreiden naar alternatieve leef/werkruimten. In deze fasen kan er voor ruimte, tijd, activiteiten en hanteren van beschikbare relaties individueel gekeken worden naar mogelijkheden.


ID: 5
Status: inactief
Naam: Test 1
Omschrijving: test


ID: 24
Status: actief
Naam: tntztk
Omschrijving: Ru3oEd fqjquqiccfni, [url=http://ylqqaxcohvlc.com/]ylqqaxcohvlc[/url], [link=http://cbevivkhdgcp.com/]cbevivkhdgcp[/link], http://aocyqltyfflb.com/


ID: 17
Status: actief
Naam: Token Economy (TE)
Omschrijving: Een gedragstherapeutische toepassing middels een concreet systeem van het aanbieden, of inhouden van beloningen om een specifiek doel te bereiken. De ‘tokens’ zijn dan concrete ‘tekens’ van beloning, die zo direct mogelijk volgen op het gewenste gedrag. De methode gaat uit van de visie dat gedrag bepaald wordt door dat wat er op volgt, de consequenties. De aangeboden ‘tokens’ kunnen allerlei concrete dingen zijn, van stickers, chips, inkleuren van een bereikt doel, waardebonnen, die tot een bepaald aantal verzameld kunnen worden en dan een grotere beloning opleveren. Dit laatste dient dan ook concreet binnen een afgesproken tijd te gebeuren om de kracht van de ‘tokens’ niet verloren te laten gaan. Zo vormen de ‘tokens’ een secundaire bekrachtiging om een primaire beloning te krijgen. Door deze manier van werken krijgen betrokkenen zelf meer regie over hun eigen handelen: ze kunnen immers zelf een bepaalde controle uitoefenen over de uitkomst ervan. Zo kunnen ze ook hun ‘tokens’ weer kwijtraken, wanneer ze het bedoelde gedrag niet laten zien. Bovendien valt er over het wel of niet verkrijgen van de ‘tokens’ niet te onderhandelen: het is duidelijk aangegeven wanneer wel en wanneer niet – dat maakt de betrokkene ook meer zelfstandig, of minder afhankelijk van ondersteuners die subjectieve motieven toepassen in de beoordeling. ‘Tokens’ moeten dus concreet, duidelijk, tastbaar, visueel, optelbaar, maar ook aantrekkelijk, prettig of leuk zijn voor de betrokkene. Er kan daarom ook individueel mee gewerkt worden. Het beoogde ‘doelgedrag’ moet zo concreet en exact mogelijk gedefinieerd worden en wat van de betrokkene wordt verwacht om een ‘token’ te bemachtigen. Het aantal ‘tokens’ moet concreet worden afgesproken om om te zetten in een reële beloning. Deze uiteindelijke beloning moet een duidelijke positieve betekenis hebben voor de betrokkene en binnen een vooraf bepaalde tijd behaald kunnen worden. Als deze primaire beloning niet voldoende ‘kracht’ heeft, dan verliezen de ‘tokens’ hun waarde. Afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van het beoogde gedrag moet deze primaire beloning ook krachtiger zijn. Er schuilt vooral een gevaar in te dure beloningen! ‘Tokens’ kunnen bijvoorbeeld per dag verzameld worden, en aan het einde van de week kan een primaire beloning volgen. Het kan echter ook teruggebracht worden tot dagdelen, uren, en een primaire beloning aan het einde van de dag, e.d. Verder is een duidelijk rapportageschema nodig om de behaalde resultaten te volgen en uiteraard moet het geheel consistent en consequent worden uitgevoerd (soms moet het ook in het ondersteuningssysteem worden ingetraind zoals in gezin en team). Het kan overigens een zeer intensieve methodiek zijn. Wanneer eenmaal een doel bereikt is, kan geleidelijk met het terugbrengen van het aantal ‘tokens’ de internalisering, d.w.z. het meer eigen maken, worden nagestreefd. Dat wil dus zeggen dat het moeilijker wordt om de uiteindelijke primaire beloning te verwerven. Specifieke voorbeelden van TE: een in kleinere stukjes geknipte foto van een voorwerp dat als primaire beloning dient – deze kan dan worden ingepuzzeld, of: verzamelen van punten tot 10 (vgl. schoolrapport).


ID: 60
Status: actief
Naam: Triple-C Herstel van het gewone leven
Omschrijving: Omschrijving Triple-C is een behandelmodel voor mensen met een verstandelijke beperking, die gedragsproblemen of psychische problemen hebben, ontwikkelt door Hans van Wouwe & Dick van de Weerd binnen ASVZ. De drie C’s van Triple-C staan voor Cliënt, Coach en Competentie. In tegenstelling tot andere behandelmodellen richt Triple-C zich niet op het beheersen van probleemgedrag, maar op ‘herstel van het gewone leven.’ Begeleiders, leidinggevenden, orthopedagogen en artsen bouwen samen aan een onvoorwaardelijke ondersteuningsrelatie met cliënten. Op basis van die relatie nemen cliënten samen met begeleiders deel aan een betekenisvol dagprogramma. Daardoor neemt hun zelfvertrouwen toe en ontwikkelen ze competenties die een behandelend effect hebben. Ofwel: relatie- en competentieopbouw vermindert stress en probleemgedrag. Een normale, menswaardige omgeving nodigt uit tot normaal menselijk gedrag. Andersom geldt: als we mensen in een onmenselijke situatie plaatsen – bijvoorbeeld in een separeerruimte – kunnen we niet verwachten dat ze normaal, menselijk gedrag gaan vertonen. Probleemgedrag is naar ons idee het topje van de ijsberg – een uiting van onderliggende problematiek. Daarom vinden we het niet zinvol om het probleemgedrag de kop in te drukken met protocollen, medicatie, fixatie of separatie. In plaats daarvan creëren we een onvoorwaardelijke ondersteuningsrelatie en bieden we cliënten kansen en uitdagingen, geven we hun taken, verantwoordelijkheden en ruimte voor eigen initiatieven. Cliënten krijgen zo meer succeservaringen, meer zelfvertrouwen en ontwikkelen hun competenties. Daardoor verdwijnt het probleemgedrag naar de achtergrond. En belangrijker nog: de onderliggende problematiek – die het probleemgedrag veroorzaakt – vermindert. Om inzicht te krijgen in de werking van Triple-C wordt momenteel gewerkt aan een uitgebreid effectonderzoek. Centraal in de methodiek:  We gaan een onvoorwaardelijke ondersteuningsrelatie aan met onze cliënten  We zorgen voor een betekenisvolle daginvulling  We focussen niet op het probleemgedrag Triple-C vraagt om anders denken, anders kijken en anders doen. Doordat steeds de menselijke behoeften van de cliënten voorop staat (anders denken), zien we probleemgedrag als het topje van de ijsberg (anders kijken) en gaan we anders met onze cliënten om (anders doen).


ID: 42
Status: actief
Naam: Validation
Omschrijving: Dit is een zo praktisch mogelijke methode, in de jaren tachtig ontwikkelt door Naomi Feil (uitgaande van de psychodynamische theorie van Erikson en humanistische benadering van Rogers / ook wel Feil Methode), die verwant is aan de ROT*, om m.n. de ouder wordende dementerende mens vanuit haar/zijn eigenheid kansen te bieden op het zo concreet mogelijk vasthouden van zelfstandigheid en eigen communicatiemogelijkheden. Het accepteren van en een respecterende houding jegens de ouder wordende medemens zoals deze zich presenteert is basisvoorwaarde. Daar horen alle bijkomende kenmerken bij! Desoriëntatie, terugkeer naar het verleden, fantasie, onbereikbaarheid, doen een beroep op een funderende ervaring van veiligheid. Er is aandacht voor de individuele situatie en voor de groepssituaties. Door zorgvuldig luisteren, (mee)kijken, volgen (oogcontact), lichaamssignalen leren lezen, e.d., komen de innerlijke belevingen beter in beeld en worden deze beter begrepen. De ondersteuner gaat dus mee terug in de tijd, mee in de verwoording van innerlijke ervaringen of verhalen, om de onderliggende thema’s uit het leven van deze persoon scherper te krijgen. Hierdoor ontstaan aanknopingspunten voor de inrichting van de eigen leefomgeving, veiligheid en vertrouwen, waardoor de betrokkene ook zelf beter in staat is daar meer eigenheid aan te ontlenen: minder spanningen, meer ervaren gevoel van welbevinden. Er zijn 4 centrale elementen: 1) de oudere mens heeft te maken met onopgeloste levensvragen, die uit de eigen geschiedenis naar voren komen (de strijd die Erikson typeert als ‘wanhoop’); 2) met behulp van Validation komen vier fasen van het ouder worden in beeld (verwarring, verlies van tijdbesef, herhaalde bewegingen, isolement); 3) het gaat om een integrale (holistische) benadering van fysieke, psychische en sociale aspecten; 4) er wordt gebruik gemaakt van (non-/verbale) groepstechnieken (volgens het Validation Institute ontwikkeld). Naomi Feil benadrukt het belang van het eigen oordeel: deze zal aan de kant gezet moeten worden ten gunste van de andere die leidt aan Alzheimer: deze mens houdt er een eigen logica op na, die ontdekt moet worden en waarmee nieuwe communicatiemogelijkheden ontstaan. Het trainen hierin van de ondersteuners is dan ook cruciaal, omdat deze manier van benaderen bepaald niet eenvoudig is! Zie: Realiteits Oriëntatie Training (ROT)


ID: 33
Status: actief
Naam: Vlaskamp methode
Omschrijving: Carla Vlaskamp beschrijft opvoedingsprogramma’s voor mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke beperking (vanaf 1993). Sindsdien heeft deze benadering een brede ingang gevonden in het gehele zorgveld. De centrale gedachte is gericht op het zo goed mogelijk vasthouden van ontwikkelingsmogelijkheden in relaties met (belangrijke) anderen en het daarbij passende, of voorwaardelijke agogisch klimaat en handelen. Dat geldt niet alleen kinderen, maar ook volwassenen. Er zijn twee pijlers voor in beeld gebracht: een zo helder mogelijk geordende (‘kleine stapjes’) methodiek met een strakke evaluatie naast een zo concreet mogelijke benadering van ontwikkelingsdoelen. Voor de eerste pijler wordt een werkwijze aangeboden: aan de hand van beeldvorming ontstaat een perspectief, waarop hoofddoelen en werkdoelen worden geformuleerd, die concreet worden in activiteiten (taken en verantwoordelijkheden) met daaraan verbonden rapportage. Alleen dan is ook een evenwichtige en kwalitatieve evaluatie mogelijk. De kwaliteit van het leven staat daarmee in het centrum van de aandacht. Vlaskamp cs. formuleren dan ook wat we als ontwikkelingsmogelijkheden kunnen zien, hoe klein ook! Daarvoor wordt de tweede pijler uitgewerkt aan de hand van de Goal Attainment Scale (GAS)*. Daardoor wordt het op detailniveau mogelijk om niet zomaar doelen te stellen, maar concretere en individueel bepaalde doelen te stellen die tenminste een zekere haalbaarheid hebben. Daarbij worden voorwaarden en uitvoering van de doelen als strategie meegenomen. De twee pijlers vormen een stappenplan van het gehele opvoedings- / ondersteuningsprogramma: de beeldvorming (persoonsbeeld) met perspectief, hoofddoel, werkdoel, concrete activiteiten, uitvoering en rapportage, met evaluatie en terugkoppeling naar de beeldvorming. De kracht van dit stappenplan zit overigens tevens in de interdisciplinaire opzet ervan: alle betrokken deskundigen moeten wel samenwerken! De opvoedings- en ontwikkelingsgerichtheid is een kwalitatieve bril, die concreet wordt in het werkmodel en de hantering van de doelen. Het onderscheid tussen kinderen en volwassenen heeft geresulteerd in twee afzonderlijke publicaties, die beiden zeer praktisch opgezet zijn en uitgebreide bijlagen heeft om de praktijk toe te kunnen passen. Een concretisering van de methodiek van Vlaskamp is o.a.: In Dialoog: een zorgprogramma voor intensieve zorgverlening aan mensen met een (zeer) ernstige verstandelijke handicap en ernstig probleemgedrag (Wielinck, 2002). Voor de implementatie van de werkwijze hebben Vlaskamp cs. een derde publicatie toegevoegd (zie lit.lijst). NB: Voor de beeldvorming en de doelenontwikkeling hebben Vlaskamp cs. afzonderlijke lijsten ontwikkeld (Inventarisatie Persoonsbeeld en Zorg / Lijst afstemmen van Activiteiten en Situaties: LAS / Lijst Kindkenmerken / Gedragstaxatie Instrument), die in de literatuur worden toegelicht en bij de Stichting Kinderstudies Groningen verkregen kunnen worden, dan wel via het NIZW. Tenslotte is het vermelden waard dat er ook videomateriaal verkrijgbaar is via de afdeling Orthopedagogiek van de RUG.


ID: 29
Status: actief
Naam: Weerbaarheidstraining
Omschrijving: Naast SoVa en Assertiviteitstrainingen richt de weerbaarheidstraining zich uitdrukkelijker op de vaardigheden van deelnemers om zichzelf concreet weerbaarder op te kunnen stellen tegenover de ander, zodat je geen slachtoffer wordt. Hier doelend op seksuele weerbaarheid bij intimidatie en (dreigend) misbruik. Transact heeft samen met enkele instellingen een duidelijke brochure op de markt gebracht, die voor mensen met een (verstandelijke /lichamelijke) beperking ingezet kan worden. Training in weerbaarheid is dan vooral ook een vorm van preventie. Weerbaarheid wordt algemeen getypeerd als: “op een passende manier kunnen opkomen voor je eigen grenzen en behoeften en rekening kunnen houden met wensen en grenzen van anderen”(Transact, p. 16). Evenals SoVa en Assertiviteitstrainingen bestaat er een variatie aan weerbaarheidstrainingen. De overeenkomst is er in de concrete doelstelling. Het is van belang om rekening te houden met de inbedding van de training in het gehele levensverhaal van de deelnemer(s) (zoals een persoonlijk begeleidingsplan) en de mogelijke risico’s waar zij al mee te maken hebben. De training is doorgaans opgebouwd uit ongeveer 10 bijeenkomsten, die een beperkte duur hebben. Concrete (ook fysieke) oefeningen, videomateriaal, rollenspel, opdrachten zijn gebruikelijke ingrediënten. De transfer van training naar alledaagse begeleiding moet vanaf het begin vorm krijgen. Het bepalen van de plaats van de training in het levensverhaal kan door middel van een duidelijke oriëntatie op de rol van seksualiteit in het leven van de deelnemer. Er wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de hermeneutische cirkel* (Bosch & Suyckerbuyk). Niveaubepaling (sociaal-emotioneel, cognitief) ervaringen, netwerk, vrijetijdsinvulling, etc. kunnen zo een begin vormen van een op de persoon passende training. Dat maakt het niet eenvoudig om groepen te starten – daarin zal een goede afstemming moeten plaatsvinden. Er kan ook individueel gericht gewerkt worden en mogelijk kan er al op school een vorm voor gevonden worden (WIBO). Transact besteedt in de bundel aandacht aan het perspectief van de betrokkene zelf: diens eigen behoeften, wensen, kwetsbaarheid, privacy, of contra-indicaties (onverwerkte ervaringen, te grote gedrags- psychiatrische problemen, onvoldoende ‘ik’-ontwikkeling. e.d.). Verder is het van belang om duidelijke doelen te stellen en verwachtingen helder te krijgen. Werkvormen en opdrachten worden dan per training aangepast aan de gewenste doelen, de vragen van de betrokkenen en de mogelijkheden/beperkingen van hen. Transact biedt verder aanknopingspunten om een eigen programma op te stellen, voorwaarden en trainingsvaardigheden. Daarbij moet aandacht zijn voor het netwerk van de deelnemers en hun betrokkenheid. Overigens vindt men in de bundel van Transact een bron van materialen, verwijzingen en literatuur waaruit blijkt dat op dit terrein al veel is ontwikkeld.


ID: 32
Status: actief
Naam: zbcxjxh
Omschrijving: cxpEmL jgmecjolmlft, [url=http://jzkbnvwkohaw.com/]jzkbnvwkohaw[/url], [link=http://ymdbdobktoxo.com/]ymdbdobktoxo[/link], http://vxigxoyupqul.com/